Woordenlijst

 
Hieronder vindt u een lijst met vaktermen die vaak door ons gebruikt worden.
Gezien we over een uitgebreide woordenlijst beschikken kan u gebruik maken van onze handige zoekfunctie:

Resultaten voor "communicatie"


  • asp: Active Server Pages (ASP) is een door Microsoft ontwikkelde technologie om dynamische webpagina's en complete websites te genereren. Met dynamisch wordt in dit verband bedoeld dat de pagina's zoals de gebruiker ze op z'n browser te zien zal krijgen elke keer opnieuw worden opgebouwd. Op deze manier kan actuele informatie deel uitmaken van een pagina. 'Actueel' kan betekenen dat de informatie pas beschikbaar komt nadat de html al bepaald is; het kan ook zijn dat de informatie pas bekend is nadat de gebruiker heeft aangegeven waarnaar hij op zoek is; denk aan snuffelen in een assortiment. Dit staat dan tegenover statische webpagina's waarbij de HTML code ooit is aangemaakt, de gebruiker krijgt steeds dezelfde versie te zien. Tegenwoordig wordt ASP verder ontwikkeld onder de naam ASP.NET. ASP.NET is een nieuwe taal, gebaseerd op ASP, waarin meer mogelijkheden zitten en waarbij gewerkt wordt binnen het .NET-framework.

    ASP is een technologie en dus geen programmeertaal. Je kunt ASP pagina's herkennen aan hun extensie ".asp". Net als binnen de nieuwe versie van ASP, ASP.NET, kunnen er binnen ASP pagina's gekozen worden voor een specifieke programeertaal. In de meeste gevallen wordt VBScript gebruikt omdat dit de standaard taal is, maar er kan ook standaard gekozen worden voor JScript. ASP kan in principe alle scripttalen ondersteunen als de desbetreffende interpreter op de webserver is geÔnstalleerd. Er is bijvoorbeeld een interpreter voor Perlscript beschikbaar via ActiveState.

    ASP wordt normaliter gebruikt op een Windows besturingssysteem. Er zijn echter ook goede implementaties van ASP beschikbaar voor Unix (en verwante) platforms.

    ASP wordt meestal gebruikt samen met een database op de server waarin gegevens worden opgeslagen. Hiermee kunnen applicaties worden gebouwd als een forum, een weblog, en een nieuwsapplicatie. Voor communicatie met een database zijn standaard ADODB componenten beschikbaar.

    Een ASP applicatie bestaat uit een aantal samenhangende webpagina's. Deze pagina's kunnen gebruikmaken van dezelfde cookies. ASP zet een session-cookie om het mogelijk te maken gegevens van een bezoeker in dezelfde website bij te houden. Deze gegevens worden op de webserver als tijdelijke sessievariabelen bijgehouden, bijvoorbeeld om te onthouden of een bezoeker is ingelogd.

    Het Microsoft.XMLDOM component geeft ASP de mogelijkheid om met XML te werken. Behalve HTML kan ASP ook andere contenttypes sturen, zoals GIF- en JPEG-afbeeldingen.

    Vanaf 2002 ontwikkelt Microsoft de opvolger van ASP in de vorm van ASP.Net. Belangrijke concurrenten van ASP zijn Java Server Pages, PHP, en mogelijk in de toekomst Ruby on Rails.


  • bedrijfsbrochure: Public relations (pr), oftewel Publieke relaties is het stelselmatig bevorderen van het wederzijds begrip tussen een organisatie en haar publieksgroepen. Daartoe wordt gebruikgemaakt van interne en externe communicatie om een bepaald publiek te informeren of te beÔnvloeden met behulp van tekst, advertenties, publiciteit, promoties en speciale gebeurtenissen. Aan de andere kant heeft pr ook een signaalfunctie om trends en issues uit de buitenwereld op te merken en ernaar te handelen. Het voornaamste doel van pr is het bestendigen of scheppen van een goed imago en niet verkoop. Pr werkt vooral op basis van imago-onderzoek. De voornaamste gereedschappen van pr zijn beÔnvloeding van opinieleiders uit de doelgroep, of direct contact met de doelgroep via eigen media of media van anderen. De rol van internet is enorm gegroeid in de afgelopen tien jaar en geldt nu naast de bedrijfsbrochure als het belangrijkste medium. Met komst van sociale media als weblogs, wiki's, Facebook, Twitter en Hyves is er ook sprake van specialisatie richting online. Activiteiten die daaronder vallen worden ook wel pr 2.0 genoemd, als verwijzing naar de term Web 2.0.


  • bedrijfsfilm: De term "bedrijfsfilm" is een allesomvattende beschrijving voor video's gemaakt voor zakelijke en/of informatieve doeleinden. Daaronder vallen bedrijfspromotievideo's, productvideo's, promotiefilms, trainingsvideo's, instructievideo's en informatieve video's. Een bedrijfsfilm wordt vaak ingezet voor een bepaald doel in een bedrijfs- of B2B-milieu en wordt bekeken door een beperkte doelgroep. Het doel van een bedrijfsfilm is veelal interactief klantenwerving, kostenbesparing of risicovermindering. Het laten maken van een bedrijfsfilm valt vaak onder de verantwoordelijkheid van de marketing- en communicatieafdeling van een bedrijf.

    Hoewel bedrijfsvideografie al sinds 1970 bestaat, is de productie ervan na 1990 in een stroomversnelling geraakt. Met de groei in digitale technologie is er nu vaak de samensmelting van bedrijfsfilms en andere vormen van mediacommunicatie, zoals televisie en internet. Een bedrijf kan beschikken over een promotionele video op zijn website of op een videowebsite als YouTube en is dan in potentie bereikbaar voor een veel breder publiek.

    Een bedrijfsfilm, reclamespot of promotievideo kan worden geproduceerd met behulp van dezelfde productietechnieken en stijl als een televisieprogramma (dezelfde faciliteiten en crew) en weet zo het publiek te boeien, zoals ze gewend zijn te kijken naar populaire media. Een bedrijfsfilm zou zelfs het thema kunnen hebben van een bekende tv-serie.

    Een videoproductiebedrijf ontvangt instructies van de opdrachtgever, ontwikkelt een script of scenario en plan van aanpak (en soms een storyboard), met de opdrachtgever wordt een draaiboek en leveringsdatum overeengekomen. De productietijd en -omvang van een bedrijfsfilm kunnen sterk variŽren. Voor sommige video's wordt slechts een minimale crew en basisuitrusting ingezet, terwijl andere bedrijfsfilms (vaak met een hoger budget) een vergelijkbaar niveau hebben als dat van een tv-uitzending of reclamespot.

    Het productieproces omvat dikwijls de volgende fasen:
    - Preproductie, planning, inclusief script en storyboard. Overeenkomst tussen videoproductiebedrijf/productiehuis en de klant.
    - Productie, inclusief opnamen op locatie of in de studio met cameraploeg en regisseur. Mogelijk ook met bijvoorbeeld acteurs en/of presentatoren.
    - Postproductie en videomontage. Het gefilmde beeldmateriaal wordt bewerkt. In deze fase wordt ook een voice-over opgenomen, een sounddesign ontwikkeld en worden afbeeldingen alsook 2D/3D-animatie toegevoegd, om de bedrijfsfilm vervolgens te kunnen renderen, d.w.z. alle beelden te kunnen verwerken tot ťťn geheel.


  • beelddrager: Een medium is in de communicatiewetenschappen een substraat voor informatieoverdracht zoals, papier (krant, tijdschrift), elektromagnetische golven (radio, tv, computernetwerken), chips (flashgeheugen, computergeheugen), magnetisch materiaal (casetteband, audio- en video-tape).

    Door de enorme toename van de informatieoverdracht (massamedia) wordt de oorspronkelijke betekenis als substraat voor informatieoverdracht (medium = middelaar) tegenwoordig minder belangrijk. Het woord medium wordt vaker gebruikt voor de verschijningsvorm of zender. Dus niet het "papier" als informatiedrager, maar de "krant", of (bijvoorbeeld) De Telegraaf of De Standaard. Of nog abstracter: de advertentie of het redactioneel commentaar in een krant als medium.


  • communicatie: Bij communicatie wordt informatie met elkaar gedeeld door middel van geluid (zoals bij spraak en toon) en vorm (zoals beeld, symboliek en tekst). Het contact omvat ook handelingen want door gedrag worden eindeloos veel betekenissen kenbaar gemaakt. De impact van (onĖ)bewuste daden kan heel groot zijn bij betekenistoekenning: non-verbale communicatie kan zelfs de doorslag geven boven doelbewust gekozen woorden en symboliek.


  • e-mail: E-mail (ook wel email, e-post of elektronische post) is het versturen van digitale boodschappen via onder andere internet. De eerste e-mail over een computernetwerk werd in 1971 door Ray Tomlinson verzonden. Rond 1995 werd het populair bij het grote publiek, samen met het wereldwijde web.

    E-mail wordt vaak gebruikt voor korte, informele berichten. In tegenstelling tot een brief op papier wordt het bij e-mail geaccepteerd om korte en compacte zinnen te gebruiken. Door het meesturen van bijlagen (attachments, mogelijk sinds de Multipurpose Internet Mail Extensions, MIME, zijn ingevoerd) is het ook mogelijk om inhoud in een andere vorm dan tekst te versturen.

    Recentelijk heeft communicatie per e-mail dezelfde wettelijke status gekregen als die per brief. De mailtjes moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De authenticiteit moet zijn gewaarborgd, er moet zekerheid bestaan over de afzender, en er moet niet achteraf aan kunnen worden geknoeid. De zogenaamde "elektronische handtekening" biedt hier uitkomst. De voordelen van een dergelijk gebruik van e-mail ten opzichte van andere vormen van communicatie zijn:
    - Snellere communicatie;
    - Sneller tot een contract kunnen komen;
    - Besparing van (verzend)kosten;
    - Men hoeft niet meer in persoon bij de ander langs.

    E-mail waaraan de ontvanger weinig waarde toeschrijft wordt junkmail genoemd. Een vorm van junkmail is spam, e-mail die ongevraagd aan een groot aantal ontvangers wordt verstuurd. Een e-zine is een tijdschrift dat via e-mail wordt verzonden. Een variant hierop is de e-mail-nieuwsbrief.

    Voorgangers van e-mail zijn de brief, het telegram, de telex, de telefax en binnen Nederland het op Datanet gebaseerde Memocom 400 dat echter nooit succesvol werd. Wellicht wordt e-mail op termijn opgevolgd door mobiele communicatie, zoals de SMS. In de context van e-mail wordt de veel tragere briefpost vaak snail mail genoemd.

    E-mail is tegenwoordig vooral alleen toegankelijk via het Internet-netwerk, maar e-mail kan ook buiten het Internet-netwerk om toegankelijk zijn omdat de oorspronkelijke e-mail niet netwerkafhankelijk is.

    Routering en infrastructuur
    Over het algemeen wordt een e-mail niet direct naar de ontvanger gestuurd, maar verloopt de verzending via een of meer tussenschakels. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een aantal andere internetdiensten, met name DNS. Een e-mail-gebruiker gebruikt een bepaald e-mail-account, bijvoorbeeld bij een Internet Service Provider of een andere aanbieder van e-mail-diensten zoals Gmail, Yahoo!, Hotmail of Windows Live Mail.

    Aan een e-mail-account is een e-mailadres gekoppeld. Dit adres is opgebouwd uit een aantal delen: een gebruikersnaam, het @-teken, server- of ISP-naam, en het top-level domain, bijvoorbeeld .be.

    Voorbeeld: info@creatief.be

    Hier is:
    - info" de gebruikersnaam
    - "creatief" de domeinnaam (kan de ISP-naam zijn)
    - ".be" de top-level-domain aanduiding
    De gebruiker schrijft de e-mail met behulp van een e-mailclient. Dit programma verstuurt de e-mail vervolgens naar de mailserver waarop het mailaccount bekend is. Als de e-mail gericht is aan een e-mailadres dat niet door deze mailserver wordt beheerd, wordt via DNS het adres van een mailserver gezocht die dat wel doet. De mailserver zal de e-mail dan doorsturen naar deze mailserver. Deze stap kan meerdere malen worden uitgevoerd. Vaak voorkomende begrippen in e-mailprogramma's zijn 'CC' en 'BCC', die meestal onder het vak van de geadresseerde staat bij het schrijven van een e-mail. Deze termen staan voor 'Carbon Copy' respectievelijk 'Blind Carbon Copy'. Dit wil zeggen dat er een kopie van de e-mail aan een andere persoon wordt gestuurd. Bij BCC wordt deze kopie verstuurd zonder dat de originele ontvanger dit kan zien bij de geadresseerden.

    Adressering
    Meestal begint een bericht zijn reis doordat het met SMTP aan een SMTP-server wordt verstuurd. Meestal is dat de SMTP-server van de eigen provider, maar het is soms ook mogelijk het bericht naar de SMTP-server van de ontvanger te sturen. Andere SMTP-servers zullen het bericht meestal[bron?] weigeren.

    Verzenden met SMTP
    Het bericht bestaat in SMTP uit de volgende delen:
    - EHLO (verouderd: HELO)
    - MAIL FROM: adres van afzender
    - RCPT TO: adres van ontvanger
    - DATA
    - From: adres van afzender
    - To: adres van ontvanger
    - Subject: onderwerp
    - (lege regel)
    - tekst van bericht
    - . (een regel met alleen een punt geeft het einde aan)

    + De regels 2 en 3 vormen de envelop en zijn vergeljkbaar met de envelop van een papieren brief. Deze gegevens worden gebruikt bij de verzending en eventueel om een bericht naar de afzender te sturen als er een probleem ontstaat.
    + De regels 5, 6 en 7 vormen de header. Deze gegevens zijn vergelijkbaar met het briefhoofd van een papieren brief. Terwijl het bericht met SMTP van server naar server wordt doorgegeven, worden er steeds gegevens aan de header toegevoegd, zodat de routering van het bericht kan worden nagegaan. Deze gegevens worden onderweg niet gelezen en het is dus heel goed mogelijk dat regel 5 en 6 onjuiste adressen bevatten. Ook bij een papieren brief let de post niet op het briefhoofd maar alleen op de envelop.
    + Na de header komt een lege regel en daarna komt de body.

    Een bericht kan naar meerdere adressen worden gestuurd door regel 3 te herhalen. Een e-mailcliŽnt zal dan ook de hele lijst (tot veler ergernis) in regel 6 zetten. Gebruikt men Bcc, dan wordt dat adres wel in regel 3, maar niet in regel 6 gezet, maar die wordt bij de routering immers genegeerd.

    Ontvangen met POP3
    De uiteindelijke bestemming is meestal een particuliere computer die niet altijd met het internet verbonden is. Daardoor is het niet praktisch het bericht met SMTP naar de bestemming te leiden. Meestal eindigt het bericht dan ook bij de POP3-server van de geadresseerde. De geadresseerde kan het bericht daar ophalen. Daarbij gaat de envelop verloren.

    De e-mailcliŽnt scheidt meestal header en body van elkaar. De body wordt in het berichtvenster getoond, en de relevante gegevens uit de header (verzender, ontvanger, onderwerp) in aparte velden. Wordt het bericht beantwoord, dan wordt er gebruik gemaakt van de regel Reply-to in de header, als die aanwezig is.

    Soms worden afbeeldingen in een e-mail niet meegestuurd maar worden ze bij het weergeven ingevoegd van het web. In dat geval moet men niet alleen bij het ophalen van de e-mail maar ook bij het lezen verbinding hebben met internet.

    Doorsturen
    Soms komt het voor dat een SMTP-server is ingesteld om een bericht naar een ander adres door te sturen. Deze server verandert dan het RCPT TO-adres in de envelop en stuurt het bericht verder.

    Onzichtbare adressen
    Er wordt op gewezen dat de ontvanger, nadat hij een bericht met POP3 heeft ontvangen, in principe niet kan zien wie de verzender is en ook niet aan welk adres het bericht verstuurd was. Deze gegevens stonden namelijk in de envelop en die werd bij POP3 verwijderd. Verder werd het bericht wellicht doorgestuurd (zie vorige paragraaf) waarbij het RCPT TO-adres veranderd werd. Bovendien kan het MAIL FROM-adres onjuist zijn. De ontvanger ziet alleen From en To, maar deze gegevens kunnen door de verzender geheel willekeurig worden ingevuld.

    Soms echter zet de server ook nog een extra regel in de header waaraan de ontvanger kan zien welke adressen er oorspronkelijk op de envelop stonden.

    Vergelijking met papieren post
    De verzender schrijft op een vel papier de gegevens van afzender en geadresseerde (de header) en een bericht (de body). Hij doet de brief in een envelop en schrijft daarop ook de gegevens van afzender en geadresseerde.

    De post verstuurt de brief aan de hand van de gegevens op de envelop. Bij elk postkantoor wordt de brief geopend om een poststempel op de brief (niet op de envelop) te zetten.

    Moet de brief worden doorgestuurd, dan wordt de envelop vervangen.

    Bij aflevering wordt de envelop verwijderd. Alleen de brief wordt bezorgd.

    Misbruik
    Door de vatbaarheid van met name de e-mailcliŽnt Outlook Express is de verspreiding van virussen en wormen via e-mail een zeer groot probleem geworden. Voordat e-mail op grote schaal gebruikt werd, werden virussen vooral verspreid via diskettes.

    Ook het versturen van grote hoeveelheden spam is een groot probleem. De hoeveelheid spam die verstuurd wordt is dermate groot dat de hoeveelheid e-mails met virussen, wormen of spam meer dan negen maal groter is dan de hoeveelheid reguliere e-mails.

    Een andere vorm van misbruik wordt phishing genoemd. Bij phishing wordt onder valse voorwendselen een ongevraagde e-mail verstuurd, waarbij de ontvanger gevraagd wordt om bepaalde informatie, zoals een wachtwoord of een pincode. Meestal is phishing gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot credit cards of elektronisch bankieren.

    Het grote probleem met het fenomeen e-mail is dat het protocol dat wordt gebruikt om e-mails te versturen, SMTP, ontworpen is zonder authenticatielaag. Dit was in eerste instantie misschien niet technisch mogelijk of omslachtig en stond de eigen uitbreiding in de weg, maar is in deze tijd uitermate lastig.

    Door dit hiaat kan eender wie een e-mail sturen met als afzendadres niet zijn eigen e-mailadres. Hierdoor krijgen internet gebruikers e-mails in hun postvak die zich voordoen als belangrijke berichten en de gebruiker oproepen actie te ondernemen waardoor ze persoonlijke gegevens zouden meedelen via een getruukeerde website (phishing).

    Enkel door de 'header' van de e-mail (een stukje informatie dat de route bevat) te gaan uitpluizen zou men kunnen uitzoeken vanwaar een e-mail daadwerkelijk zou zijn gestuurd, maar dit kan maar tot op een zeker punt, want het dynamisch IP-concept gooit roet in het eten. Doordat iedereen op specifieke momenten een ander IP-adres krijgt van zijn ISP, wordt het traceren van e-mail heel hard bemoeilijkt.

    Om misbruik via e-mail te voorkomen (zoals spam) worden ook wegwerp-e-mailadressen gebruikt.

    Nevenwerking van e-mailverkeer
    Onderzoek wees uit dat e-mailverkeer op de werkplek persoonlijk contact tussen collega's onder druk zet en zorgt voor een minder prettige werksfeer. De helft van de collega's mailt of belt elkaar terwijl men net zo makkelijk even langs kan lopen.


  • grafisch vormgever: Een grafisch vormgever is een persoon die de grafische vormgeving doet. Het beroep mag niet verward worden met een grafisch ontwerper of designer. Een vormgever is meer bezig met de techniek en de beheersing ervan dan een designer, art-director of ontwerper. Zo tracht hij zoveel mogelijk te weten van programmatuur zoals Adobe InDesign of QuarkXPress. In vroegere tijden was dat natuurlijk meer met de film of nog eerder met loden letters.

    Hij/zij bepaalt binnen de huisstijl de lay-out (indeling), de typografie, de beelddragersoort (papier, schermondergrond, e.d.), het kleurgebruik en de illustratie-/fotosoort. Meestal vervaardigt hij/zij de illustraties of foto's zelf. Een vormgever kan ook zelf een huisstijl maken, zelfstandig of in samewerking met derden zorgen voor een creatieve compositie.

    Een vormgever is niet altijd bij de presentatie van het eindproduct van het ontwerp; dat wordt voornamelijk door communicatie-medewerker, art-director en/of ontwerper gedaan. Zij gaan dan langs bij de klant. Deze bevindingen gaan zij dan weer later verder communiceren met de vormgever. Tot slot bewaakt de vormgever de toepassing en zoekt wanneer nodig naar oplossingen voor eventuele verdere uitbreidingen en of uitingen (bijv. DTP, illustratie, web-layout en/of fotomateriaal) en de technische verwerking (bijv. reproductie, interface-opbouw) van het ontwerp, zodat dit blijft zoals hij bedoeld is.

    Bij de uitwerking van een opdracht houdt de vormgever o.a. rekening met de doelgroep en de door de opdrachtgever/cliŽnt gestelde eisen. Hij houdt hierbij de stelling 'Vorm volgt Functie' erop na. Bij de vormgever is het belangrijk dat vorm niet de functie overtreft maar dat ze elkaar complementeren. Ook de financiŽle mogelijkheden en de technische verwerking van het ontwerp houdt hij in de gaten. Een vormgever zal daarnaast trachten bestaande inhoudelijke functionaliteiten te versterken (bijv. optimale leesbaarheid door juiste toepassing van typografie). Ook zal hij/zij trachten extra functionaliteiten toe te voegen door middel van de vorm (bijv. signaalkleur als blikvanger voor de belangrijkste informatie). Hij/zij geeft daarbij tevens adviezen aan de opdrachtgever om tot een optimaal eindproduct te komen.


  • http: Het HyperText Transfer Protocol (HTTP) is het protocol voor de communicatie tussen een webclient (meestal een webbrowser) en een webserver. Dit protocol wordt niet alleen veel op het World Wide Web gebruikt, maar ook op lokale netwerken (we spreken dan van een intranet).

    In HTTP is vastgelegd welke vragen (de Engelse term hiervoor is requests) een cliŽnt, bijvoorbeeld een webbrowser, aan de server kan stellen en welke antwoorden (de Engelse term is responses) een webserver daarop kan teruggeven. Elke vraag bevat een URL die naar een webcomponent of een statisch object zoals een webpagina of plaatje verwijst.


  • huisstijl: De huisstijl van een organisatie of bedrijf is een consistente presentatie naar buiten toe, vaak de eerste kennismaking voor klanten en belangrijk voor de uitstraling. Er is een duidelijk onderscheid te maken tussen de ruime en de enge definitie van huisstijl.

    Huisstijl: ruime definitie
    Een huisstijl wordt vaak corporate identity genoemd. In die definitie gaat het over de stijl van het huis, en dat gaat verder dan puur visuele zaken. Het gaat ook over communicatie en over het gedrag van de organisatie en haar medewerkers. Deze 3 elementen (design, communicatie en gedrag) dienen evenveel aandacht te krijgen tijdens een huisstijltraject. Volgens professor C.B.S. Van Riel, in het boek "Identiteit en imago" van 2003, ligt het aandeel van de factor gedrag in de identiteit van een onderneming rond 90%. Design en communicatie maken dan de resterende 10%. Huisstijl wordt vaak verwaarloosd, dit kan noodlottige gevolgen hebben voor de onderneming.

    Huisstijl: enge definitie
    In de enge definitie zien we huisstijl als visuele identiteit van een organisatie. Het betreft uitsluitend het symbolische gedeelte van de bedrijfsidentiteit. Hieronder vallen naam, logo, kleur, typografie (lettertype), vormentaal (stramienen/vlakken/curves/opmaak) en fotografiestijl.

    Al deze elementen worden consistent gebruikt in presentaties of op briefpapier, visitekaartjes, offertes, facturen, enveloppen, de website, e-mails etcetera.

    Bij grote ondernemingen bewaakt doorgaans de communicatie-afdeling de huisstijl. Dit kan uiteenlopen van het aanreiken van hulpmiddelen om consistent naar buiten te treden (zoals powerpoint templates en digitale logo-bibliotheken) tot een meer politionele rol waarbij toegezien wordt op naleving van interne richtlijnen.


  • intranet: Een intranet is een privaat netwerk binnen een organisatie. Het kan bestaan uit verschillende aan elkaar gekoppelde LAN's. Voor de gebruiker is het net een private versie van het internet.

    De meeste intranetten zijn via een gateway gekoppeld aan het wereldwijde internet. Het primaire doel van een intranet is het elektronisch delen van informatie binnen een organisatie. Tevens kan het gebruikt worden voor teleconferenties en om het elektronisch samenwerken in groepen te faciliteren en stimuleren.

    Een intranet maakt gebruik van verschillende internetprotocollen zoals transmissieprotocol TCP/IP of UDP/IP, en het opmaakprotocol HTTP. TCP/IP en UDP/IP zorgen voor de overdracht van informatie tussen twee netwerksystemen; HTTP beschrijft hoe de tekst moet worden opgemaakt (zoals vet, de grootte van letters). Door middel van tunneling is het mogelijk voor een organisatie om via een publiek netwerk, zoals het internet, afzonderlijke delen van het intranet aan elkaar te koppelen. Door middel van speciale encryptie/decryptie methoden en andere aanvullende veiligheidsmaatregelen wordt de betrouwbaarheid van de overdracht verzekerd.

    Grotere organisaties staan hun gebruikers binnen het intranet toe het publieke internet te raadplegen. Deze organisaties maken dan gebruik van zogenaamde Firewall Servers. Deze bezitten de mogelijkheid om het inkomende en uitgaande netwerkverkeer te analyseren zodanig dat de veiligheid van de organisatie gewaarborgd blijft.

    Wanneer een organisatie een gedeelte van haar intranet toegankelijk maakt voor klanten, partners, leveranciers of anderen buiten de organisatie noemt men dat gedeelte een extranet.

    Ook: intern communicatiesysteem, intern netwerk, intranet-systeem


  • magazines: Magazines Ė Een tijdschrift (ook magazine, Engels) is een periodieke publicatie die per aflevering bestaat uit een bundeling van artikelen. Een tijdschrift kan betaalde advertenties bevatten. In andere gevallen wordt het tijdschrift volledig gefinancierd door de verkoopprijs of functioneert het als een communicatiemiddel aan leden en donateurs van een organisatie. De meeste tijdschriften steunen op een gemengde financiering op basis van advertenties en verkoop.


  • promotie: Alle activiteiten die tot doel hebben de verkoop te bevorderen. Promotie vormt samen met communicatie bovendien de vierde P van de detailhandelsmix.


  • reclame: Reclame is een vorm van communicatie met het doel potentiŽle klanten informatie te geven over producten en diensten. Veel reclame is ook bedoeld consumptie aan te wakkeren door het creŽren en versterken van een merkimago en een getrouwheid aan een merk. Het is ook het promoten van een product, dienst, bedrijf of idee door middel van een veelal gesponsorde boodschap.


  • SSL: Secure Sockets Layer (SSL) en Transport Layer Security (TLS) (zijn opvolger), zijn encryptie-protocollen die communicatie op het Internet beveiligen.

    Omschrijving
    Deze beide protocollen leveren door middel van cryptografie zowel authenticatie als een beveiligde verbinding met het Internet. In alledaags gebruik wordt alleen de authenticiteit van de server gecontroleerd, terwijl de client geheel onbekend blijft. Door het gebruik van PKI is het ook mogelijk om clients te authenticeren. De protocollen kunnen ook gebruikt worden om client/server-applicaties te beveiligen tegen bijvoorbeeld afluisteren.

    Zowel TLS als SSL maakt gebruik van een aantal verschillende stadia:
    - Peer negotiation for algorithm support
    - Public-key encryption-based key exchange and certificate-based authentication
    - Symmetric cipher-based traffic encryption

    Toepassingen
    Zowel het SSL- als het TLS-protocol draait op een laag onder applicatieprotocollen als HTTP, SMTP, FTP en Usenet en boven het transportprotocol TCP, dat deel uitmaakt van de protocolsuite TCP/IP. Ondanks dat zowel SSL als TLS veiligheid kan bieden aan elk protocol dat gebruik maakt van TCP, wordt SSL het meest gebruikt voor HTTPS, bijvoorbeeld ter beveiliging van creditcard-gegevens.

    Indien men het gebruikt om HTTP te beveiligen, wordt het "http://" gedeelte in een URL vervangen door "https://", waarbij de s staat voor "secure". Ook andere klassieke TCP/IP-applicatielaagprotocollen waarbij de informatie (zoals wachtwoorden) normaal onversleuteld over het netwerk gaan, kunnen met SSL/TLS worden beveiligd.

    Geschiedenis en ontwikkeling
    SSL versie 3.0 is ontwikkeld door Netscape en uitgebracht in 1996. Deze versie werd later de basis voor het Transport Layer Security (TLS), een IETF-standaardprotocol. De eerste definitie van TLS kwam voor in RFC 2246: "The TLS Protocol Version 1.0". Visa, MasterCard, American Express en andere financiŽle instellingen hebben het gebruik van TLS voor commerciŽle doeleinden gestimuleerd.


top ^