Woordenlijst

 
Hieronder vindt u een lijst met vaktermen die vaak door ons gebruikt worden.
Gezien we over een uitgebreide woordenlijst beschikken kan u gebruik maken van onze handige zoekfunctie:

Geen resultaten voor "radiospot"

Snelnavigatie: .|3|A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|R|S|T|U|V|W|X|Z

.


  • .com: .com is een generiek topleveldomein gebruikt bij het Internet Domain Name System. Het was een van de eerste TLD's en is uitgegroeid tot de meest gebruikte. Het wordt momenteel onderhouden door VeriSign. Het eerste .com internetadres werd geregistreerd op 15 maart 1985 door Symbolics, een computerbedrijf uit Cambridge.[1] Het wordt uitgesproken als dot-com en is zo in de Engelse taal gekomen. Dit wordt ook met andere TLD's gedaan zoals "dot-net' (.net), "dot-info" (.info), enz. Ze zijn niet zo populair geworden om in de taal te komen als .com, maar worden wel vaak zo uitgesproken in radiocommercials bijvoorbeeld. Topleveldomeinen die geen uitspreekbare woorden vormen, waaronder de meeste landcodes als bijvoorbeeld .uk, .ca, of .au, alsmede "dot-ee-dee-joe" (.edu) worden doorgaans gewoon gespeld.

    Alhoewel .com-domeinen altijd bedoeld zijn geweest voor commercieel gebruik, kan iedereen ze registreren. In de jaren '90 werd .com het meest algemene top-level domain voor websites, vooral commerciële. De introductie van .biz, dat voor bedrijven is gemaakt, heeft weinig impact gehad op de populariteit van .com.

    Een alternatief gebruik van de frase dot-com is dat bedrijven het gebruiken in hun naam. Voorbeelden zijn Amazon.com, eBay en Google. Er zijn ook bedrijven, en vooral organisaties die de extensie .org achter hun naam zetten zoals OpenOffice.org, maar dit is nooit zo populair geworden als .com.

    Iedereen kan een .com-domein registreren, maar ook landen (uitgezonderd de Verenigde Staten die domeinen gebruikt als .edu, .gov en .mil) gebruiken tweede-level-domeinen voor hun landcode-TLD. Deze hebben vaak de vorm van .com.xx of .co.xx, waarbij xx het landcode-TLD is. Voorbeelden zijn Australië (.com.au), het Verenigd Koninkrijk (.co.uk), Mexico (.com.mx), Nieuw-Zeeland (.co.nz), de Volksrepubliek China (.com.cn), Japan (.co.jp), Zuid-Korea (.co.kr), Polen (com.pl) en India (.co.in).

    Vaak registreren noncommerciële sites van non-profitorganisaties, regeringen enz. een .com-domein, waardoor het domein niet meer z'n oorspronkelijke doel heeft. Een .org- of .gov-domein past beter bij het doel van dat soort websites. Ook registreren sites vaak .com-domein als reserve en preventie tegen scams.

    Registraties verlopen via aangewezen ambtenaren en geïnternationaliseerde domeinnamen worden ook geaccepteerd.


  • .de: .de is het achtervoegsel van Duitse domeinnamen. De .de domeinnamen worden uitgegeven door de DENIC (Deutsches Network Information Center). Sinds 1986 worden er .de-namen uitgegeven.

    .de staat voor de eerste twee letters van Duitsland (Deutschland). .de is de op een na populairste domeinnaam op Internet, na .com.


  • .eu: .eu is het achtervoegsel van Europese domeinnamen. .eu-domeinnamen worden uitgegeven door The European Registry of Internet Domain Names (EURid), welke verantwoordelijk is voor het topleveldomein 'eu'.

    De domeinnaam wordt in Europese landen ook wel gebruikt als de gewenste domeinnaam met het achtervoegsel van het betreffende land al in gebruik is.


  • .fr: .fr is het achtervoegsel van Franse domeinnamen. .fr wordt, samen met .re, .tf, .pm, .wf en .yt (de laatste drie zijn niet open voor registratie) beheerd door AFNIC.[1]

    AFNIC beheert ook de volgende secondleveldomeinnamen:
    .asso.fr - voor verenigingen
    .com.fr - open voor iedereen
    .gouv.fr - voor de Franse regering
    .tm.fr - voor houders van handelsmerken


  • .nl: .nl is het achtervoegsel van Nederlandse domeinnamen. .nl-domeinnamen worden uitgegeven door de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), welke verantwoordelijk is voor het top-level-domein 'nl'.


top ^

3


  • 3D seances: De verkorte aanduiding 3D wordt meestal gebruikt om aan te geven dat iets als ruimtelijk kan worden waargenomen: 3D-foto's, 3D-film of 3D-graphics. Wat hiermee wordt bedoeld is niet altijd duidelijk. Bij computerspelletjes wordt vaak de term 3D gebruikt, en daarmee wordt dan bedoeld dat er perspectivische beelden worden getoond.


top ^

A


  • Adobe Dreamweaver: Adobe Dreamweaver is een uitgebreide wysiwyg editor voor HTML en andere webtalen zoals PHP, JavaScript, CSS, CFML (Coldfusion), ASP, XSLT en XML. Dreamweaver wordt gebruikt door webontwikkelaars voor het ontwerpen van websites. Het werd ontwikkeld door het bedrijf Macromedia, dat later overgenomen werd door Adobe.


  • Adobe Flash: Adobe Flash (voorheen bekend als Macromedia Flash en daarvoor FutureSplash) is een computerprogramma waarmee animaties, webvideo's, online folders, flashpresentatie en webapplicaties (zoals spelletjes en websites) gemaakt kunnen worden. Het wordt veel gebruikt om websites aan te kleden en voor reclame-uitingen bij websites, zogenaamde banners. De bekende animatieserie Happy Tree Friends wordt met dit programma geproduceerd en talloze andere websites en website intro's maken gebruik van Flash. Om Flash-inhoud af te spelen wordt Adobe Flash Player gebruikt.

    Flash is opgebouwd als een soort tekenfilm. Per tijdseenheid bepaalt de ontwikkelaar wat de bezoeker te zien krijgt. Een tijdseenheid wordt een frame genoemd. Een belangrijke tijdseenheid heet een keyframe. Zij vormen de uiteindelijke basisstructuur van de applicatie of animatie. Het kan ook gebruikt worden voor een flash presentatie, volledige flash website, flashanimatie, flash-applicaties of geanimeerde presentatie.


  • Adobe Photoshop: Adobe Photoshop is een grafisch programma ontwikkeld door Adobe voor het bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer. Photoshop is beschikbaar voor Mac OS X en Windows. Tot en met versie 4 bestond er ook een Unix-variant. Tegenwoordig kunnen Linux- en UNIX-gebruikers een beroep doen op CodeWeaver's Crossover Office (Wine) om de Windowsversie van Photoshop ook onder X Window System te laten draaien.

    Photoshop is gericht op professionele gebruikers. Voor minder veeleisende gebruikers is er het goedkopere Adobe Photoshop Elements dat een licht andere functionaliteit biedt. Het heeft bijvoorbeeld, in tegenstelling tot Photoshop, een voorziening om grote hoeveelheden afbeeldingen te beheren.

    Door velen wordt Photoshop beschouwd als de industriestandaard voor zowel drukwerk en DTP als voor het web wat betreft digitale beeldbewerking.

    De schermindeling met verplaatsbare paletten (floating palets) is door tal van andere softwaremakers in hun producten overgenomen. Ook het werken met lagen vanaf versie 3 (transparante lagen met objecten - tekst, afbeeldingen, kleuren- die boven elkaar kunnen worden geplaatst waarbij de originele afbeelding intact blijft) is een maatstaf waaraan alle andere grafische pakketten worden afgewogen.

    Photoshop kan overweg met filters (en ook plugins van derden), maskers, laageffecten enz. Vanaf versie 5 is het programma sterk uitgebreid met functies voor webexport. Zo maakt het aanvullende programma Image Ready het mogelijk afbeeldingen te knippen (slice) met elk een eigen adres (image map) of in tabellen te exporteren, compleet met javascript- en HTML-code. De "bewaren voor het web"-functie kan JPEG-, PNG- of GIF-afbeeldingen optimaliseren en comprimeren voor webpublicatie.

    Photoshop wordt ook gebruikt om beelden te retoucheren of kleurcorrectie te doen.


  • advertentie: Een advertentie is een publicatie van derden om er voor te zorgen dat wat er in de advertentie staat wordt gepromoot.

    Meestal gaat het hier om het promoten van commerciële producten en/of diensten. Er bestaan echter ook advertenties voor producten en/of diensten zonder winstoogmerk. De boodschap in de advertentie noemen we dan reclame.

    Vormen
    Advertenties wordt in verschillende media gevonden, zo kennen we onder andere:
    - krantenadvertenties.
    - televisie- en radio-advertenties (reclamespotje)
    - internetadvertenties (waaronder Speurders.nl en Marktplaats.nl).
    - advertenties in reclamefolders.
    Bij kranten zijn er naast de gewone advertenties vaak nog goedkope advertenties, soms "kleintjes" genoemd. Sommige krantenadvertenties zijn bewust geschreven alsof het een krantenartikel is. De redactie van de krant plaatst dan meestal daarboven de tekst "(advertentie)".


  • affiche: Een affiche is een biljet (ook wel poster genoemd) dat aangeplakt is of opgehangen dient te worden om de daarop, meestal in gedrukte vorm, vermelde bekendmaking of (reclame-)boodschap ter kennis te brengen. Men kan een onderverdeling maken in affiches met letters en beelden. Bij de eerste categorie is de tekst, bij de tweede het beeld hoofdzaak. Met artistieke middelen wordt een boodschap overgebracht op de mensen. Dat is een uitdaging voor kunstenaars geworden om ons te overladen met een onuitputtelijke reeks van al dan niet kunstzinnig uitgevoerde posters.


  • afloop: De ruimte rond het ontwerp dat voorbij de snijtekens gaat. Wanneer men niet vel per vel uitsnijdt maar een stapel vellen in één keer, kunnen de vellen een heel klein beetje verschuiven. Met die afloop is een marge voorzien (bv. 3-5 mm voor een brochure of flyer).


  • animatie: Animatie is de illusie van beweging door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden, zogenaamde frames. Dit komt in het dagelijkse leven het meeste voor op het internet, in tekenfilms en tekenfilmseries en animatiefilm. Grafische computerformats zoals GIF, MNG, SVG en Flash zorgen voor de animaties op computers en het internet.


  • apersand: De ampersand, ook wel het en-teken of et-teken genoemd, is de ligatuur die het woord "en" vertegenwoordigt: &.

    Het teken bestond oorspronkelijk uit de letters et, wat Latijn is voor "en". Vroeger waren deze letters duidelijk in het teken te herkennen, maar het is in de loop van de tijd geëvolueerd tot een symbool waarin nog nauwelijks de samengevoegde letters te onderscheiden zijn. De naam ampersand komt uit de woorden "et per se &" voort, gebruikt aan het einde van alfabetreeksen, hetgeen betekent: "en op zichzelfstaand &"; ook de volgorde "& per se et" werd gebruikt; de & volgt dan direct op de andere alfabettekens en zo speelde men met de dubbelzinnigheid: "& dat in zichzelf et betekent" of "en op zichzelfstaand et". Dit werd door de Engelsen aan de achterkant van hun alfabetrijmpjes voor kinderen geplakt in de vorm and per se and, wat weer tot "ampersand" verbasterd werd.


  • asp: Active Server Pages (ASP) is een door Microsoft ontwikkelde technologie om dynamische webpagina's en complete websites te genereren. Met dynamisch wordt in dit verband bedoeld dat de pagina's zoals de gebruiker ze op z'n browser te zien zal krijgen elke keer opnieuw worden opgebouwd. Op deze manier kan actuele informatie deel uitmaken van een pagina. 'Actueel' kan betekenen dat de informatie pas beschikbaar komt nadat de html al bepaald is; het kan ook zijn dat de informatie pas bekend is nadat de gebruiker heeft aangegeven waarnaar hij op zoek is; denk aan snuffelen in een assortiment. Dit staat dan tegenover statische webpagina's waarbij de HTML code ooit is aangemaakt, de gebruiker krijgt steeds dezelfde versie te zien. Tegenwoordig wordt ASP verder ontwikkeld onder de naam ASP.NET. ASP.NET is een nieuwe taal, gebaseerd op ASP, waarin meer mogelijkheden zitten en waarbij gewerkt wordt binnen het .NET-framework.

    ASP is een technologie en dus geen programmeertaal. Je kunt ASP pagina's herkennen aan hun extensie ".asp". Net als binnen de nieuwe versie van ASP, ASP.NET, kunnen er binnen ASP pagina's gekozen worden voor een specifieke programeertaal. In de meeste gevallen wordt VBScript gebruikt omdat dit de standaard taal is, maar er kan ook standaard gekozen worden voor JScript. ASP kan in principe alle scripttalen ondersteunen als de desbetreffende interpreter op de webserver is geïnstalleerd. Er is bijvoorbeeld een interpreter voor Perlscript beschikbaar via ActiveState.

    ASP wordt normaliter gebruikt op een Windows besturingssysteem. Er zijn echter ook goede implementaties van ASP beschikbaar voor Unix (en verwante) platforms.

    ASP wordt meestal gebruikt samen met een database op de server waarin gegevens worden opgeslagen. Hiermee kunnen applicaties worden gebouwd als een forum, een weblog, en een nieuwsapplicatie. Voor communicatie met een database zijn standaard ADODB componenten beschikbaar.

    Een ASP applicatie bestaat uit een aantal samenhangende webpagina's. Deze pagina's kunnen gebruikmaken van dezelfde cookies. ASP zet een session-cookie om het mogelijk te maken gegevens van een bezoeker in dezelfde website bij te houden. Deze gegevens worden op de webserver als tijdelijke sessievariabelen bijgehouden, bijvoorbeeld om te onthouden of een bezoeker is ingelogd.

    Het Microsoft.XMLDOM component geeft ASP de mogelijkheid om met XML te werken. Behalve HTML kan ASP ook andere contenttypes sturen, zoals GIF- en JPEG-afbeeldingen.

    Vanaf 2002 ontwikkelt Microsoft de opvolger van ASP in de vorm van ASP.Net. Belangrijke concurrenten van ASP zijn Java Server Pages, PHP, en mogelijk in de toekomst Ruby on Rails.


  • avatar: Een Avatar, het Engelse woord voor avatara, is een plaatje dat als gebruikersafbeelding op het Internet gebruikt wordt, bijvoorbeeld op computerforums als Twitter of in chatprogramma's als Windows Live Messenger. Deze afbeeldingen zijn meestal vrij klein, bijvoorbeeld tussen de 48x48 en 150x150 pixels (soms ook 100x100 of 100x200).


top ^

B


  • banners: Een banner (Engels voor wimpel, banier) is een grafische reclame-uiting op het internet. Door op een banner te klikken wordt een pagina geopend waar meer informatie over het geadverteerde te vinden is. De banner is oorspronkelijk uitgevonden door "Sidney Suyat"


  • barcode: Streepjescode of barcode is de benaming voor een opeenvolging van lijnen die een code representeren die door een scanner gelezen kan worden. Afhankelijk van het coderingssysteem kan deze code uitsluitend uit cijfers bestaan, of uit een combinatie van cijfers, letters en leestekens.


  • BCC: BCC betekent Blind Carbon Copy of Blind Copy Conform en wordt met name in e-mailverkeer gebruikt om een kopie van een bericht te versturen naar iemand, zonder dat de eigenlijke geadresseerde dit kan zien.


  • bedrijfsbrochure: Public relations (pr), oftewel Publieke relaties is het stelselmatig bevorderen van het wederzijds begrip tussen een organisatie en haar publieksgroepen. Daartoe wordt gebruikgemaakt van interne en externe communicatie om een bepaald publiek te informeren of te beïnvloeden met behulp van tekst, advertenties, publiciteit, promoties en speciale gebeurtenissen. Aan de andere kant heeft pr ook een signaalfunctie om trends en issues uit de buitenwereld op te merken en ernaar te handelen. Het voornaamste doel van pr is het bestendigen of scheppen van een goed imago en niet verkoop. Pr werkt vooral op basis van imago-onderzoek. De voornaamste gereedschappen van pr zijn beïnvloeding van opinieleiders uit de doelgroep, of direct contact met de doelgroep via eigen media of media van anderen. De rol van internet is enorm gegroeid in de afgelopen tien jaar en geldt nu naast de bedrijfsbrochure als het belangrijkste medium. Met komst van sociale media als weblogs, wiki's, Facebook, Twitter en Hyves is er ook sprake van specialisatie richting online. Activiteiten die daaronder vallen worden ook wel pr 2.0 genoemd, als verwijzing naar de term Web 2.0.


  • bedrijfsfilm: De term "bedrijfsfilm" is een allesomvattende beschrijving voor video's gemaakt voor zakelijke en/of informatieve doeleinden. Daaronder vallen bedrijfspromotievideo's, productvideo's, promotiefilms, trainingsvideo's, instructievideo's en informatieve video's. Een bedrijfsfilm wordt vaak ingezet voor een bepaald doel in een bedrijfs- of B2B-milieu en wordt bekeken door een beperkte doelgroep. Het doel van een bedrijfsfilm is veelal interactief klantenwerving, kostenbesparing of risicovermindering. Het laten maken van een bedrijfsfilm valt vaak onder de verantwoordelijkheid van de marketing- en communicatieafdeling van een bedrijf.

    Hoewel bedrijfsvideografie al sinds 1970 bestaat, is de productie ervan na 1990 in een stroomversnelling geraakt. Met de groei in digitale technologie is er nu vaak de samensmelting van bedrijfsfilms en andere vormen van mediacommunicatie, zoals televisie en internet. Een bedrijf kan beschikken over een promotionele video op zijn website of op een videowebsite als YouTube en is dan in potentie bereikbaar voor een veel breder publiek.

    Een bedrijfsfilm, reclamespot of promotievideo kan worden geproduceerd met behulp van dezelfde productietechnieken en stijl als een televisieprogramma (dezelfde faciliteiten en crew) en weet zo het publiek te boeien, zoals ze gewend zijn te kijken naar populaire media. Een bedrijfsfilm zou zelfs het thema kunnen hebben van een bekende tv-serie.

    Een videoproductiebedrijf ontvangt instructies van de opdrachtgever, ontwikkelt een script of scenario en plan van aanpak (en soms een storyboard), met de opdrachtgever wordt een draaiboek en leveringsdatum overeengekomen. De productietijd en -omvang van een bedrijfsfilm kunnen sterk variëren. Voor sommige video's wordt slechts een minimale crew en basisuitrusting ingezet, terwijl andere bedrijfsfilms (vaak met een hoger budget) een vergelijkbaar niveau hebben als dat van een tv-uitzending of reclamespot.

    Het productieproces omvat dikwijls de volgende fasen:
    - Preproductie, planning, inclusief script en storyboard. Overeenkomst tussen videoproductiebedrijf/productiehuis en de klant.
    - Productie, inclusief opnamen op locatie of in de studio met cameraploeg en regisseur. Mogelijk ook met bijvoorbeeld acteurs en/of presentatoren.
    - Postproductie en videomontage. Het gefilmde beeldmateriaal wordt bewerkt. In deze fase wordt ook een voice-over opgenomen, een sounddesign ontwikkeld en worden afbeeldingen alsook 2D/3D-animatie toegevoegd, om de bedrijfsfilm vervolgens te kunnen renderen, d.w.z. alle beelden te kunnen verwerken tot één geheel.


  • bedrijfsimago: Bedrijfsimago – De indruk die werknemers en mensen van buitenaf van een bedrijf krijgen, zoals dit voornamelijk public relations-programma`s wordt gewekt.


  • bedrukbaarheid: Papier of ander materiaal dat aan bepaalde noodzakelijke eisen voldoet, waardoor het inkt aanneemt.


  • beelddrager: Een medium is in de communicatiewetenschappen een substraat voor informatieoverdracht zoals, papier (krant, tijdschrift), elektromagnetische golven (radio, tv, computernetwerken), chips (flashgeheugen, computergeheugen), magnetisch materiaal (casetteband, audio- en video-tape).

    Door de enorme toename van de informatieoverdracht (massamedia) wordt de oorspronkelijke betekenis als substraat voor informatieoverdracht (medium = middelaar) tegenwoordig minder belangrijk. Het woord medium wordt vaker gebruikt voor de verschijningsvorm of zender. Dus niet het "papier" als informatiedrager, maar de "krant", of (bijvoorbeeld) De Telegraaf of De Standaard. Of nog abstracter: de advertentie of het redactioneel commentaar in een krant als medium.


  • beeldmanipulatie: Onder beeldmanipulatie wordt verstaan het aanbrengen van veranderingen in een afbeelding. Beeldmanipulatie is strikt genomen hetzelfde als beeldbewerking. Het woord beeldmanipulatie wordt echter meer gebruikt in de zin van het wijzigen, verwijderen of toevoegen van afzonderlijke beeldelementen in een bepaalde afbeelding.

    Beeldmanipulatie is strikt genomen hetzelfde als beeldbewerking. Het woord beeldmanipulatie wordt echter meer gebruikt in de zin van het wijzigen, verwijderen of toevoegen van afzonderlijke beeldelementen in een bepaalde afbeelding.

    Beeldmanipulatie is niet iets van deze tijd. Vroeger werden bijvoorbeeld tot persona non grata verklaarde hooggeplaatste personen weggeretoucheerd van officiële foto's. Ook in oorlogspropaganda werd hier wel gebruik van gemaakt.

    De Sovjetdictator Jozef Stalin liet in ongenade gevallen personen en politieke vijanden, zoals Trotski en Jezjov, van officiële foto's verwijderen. Ook liet hij op zijn eigen foto de littekens van pokken wegwerken.

    Beeldmanipulatie is tegenwoordig een stuk eenvoudiger door gebruik te maken van gespecialiseerde programma's als Adobe Photoshop of Paint Shop Pro. Het manipuleren van beelden wordt soms "Photoshoppen" genoemd (in het Nederlands ook wel "fotoshoppen" genoemd, of verbasterd tot "fotosoepen" of "soepen"), naar het programma Photoshop. Adobe is er op tegen dat de merknaam Photoshop als werkwoord wordt gebruikt, maar heeft nog weinig succes om dat terug te dringen


  • beeldpuntdiepte: Een eenheid die aangeeft uit hoeveel bits een beeldpunt bestaat.

    2-bits = 4 kleuren/grijstinten
    4-bits = 16 kleuren/grijstinten
    8-bits = 256 kleuren/grijstinten
    16-bits = 65.536 kleuren/grijstinten
    24-bits = 16.777.000 kleuren/grijstinten


  • beeldscherpte: De zuiverheidmate van een afbeelding (foto of dia).


  • beeldverhouding: De verhouding van de beeldbreedte ten opzichte van de beeldhoogte.
    Binnen bepaalde systemen zijn hierover afspraken gemaakt.

    Bekende beeldverhoudigen zijn:
    4 : 3 (TV's)
    16 : 9 (breedbeeld TV's)
    4 : 3 (camera's)
    2 : 3 (camera's)


  • beeldverwerking: Het interpreteren van digitale beelden met behulp van software.


  • belettering: Belettering – Schikking (naar uiterlijk) van letters of woorden met specifieke aandacht voor het totaalbeeld en de compositie, zoals op ruggen of kaften van boeken of op borden.


  • berststerkte: De druk waaraan papier kan worden blootgesteld, loodrecht op het oppervlak, totdat het barst of scheurt, wordt weergegeven in kg/m2 (kilogram per vierkante meter).


  • bestandsformaat: Met bestandstype, bestandsindeling of het anglicisme bestandsformaat doelt men op de manier waarop de informatie in een computerbestand gecodeerd is. Veel computerprogramma's gebruiken een eigen, voor hun specifieke taak ontworpen bestandsformaat, maar kunnen vaak wel andere bestandsformaten lezen en naar hun eigen formaat omzetten. Het bestandsformaat wordt vaak aangegeven door middel van een extensie in de bestandsnaam.

    Er zijn twee hoofdsoorten bestandsformaten: tekst en binair. Het belangrijkste verschil tussen de twee is dat een bestand in tekstformaat zijn informatie gecodeerd heeft met uitsluitend leesbare tekens en dus ook door mensen gelezen kan worden, al kan de inhoud onbegrijpelijk zijn, terwijl een binair bestand een opeenvolging van binaire tekens is, die alleen door computerprogramma's geïnterpreteerd kan worden. Dit wil overigens niet zeggen dat een tekstbestand voor iedere lezer begrijpelijk is. Een HTML-bestand is goed leesbaar, maar een XML-bestand is al moeilijker te volgen.


  • bierviltjes: Een bierviltje is een kaartje gemaakt van viltpapier dat in cafés gebruikt wordt om een glas op te zetten. Zo wordt de tafel niet nat door vocht dat door morsen, condensatie of schoonspoelen aan het glas hangt.


  • bijlage: Een bijlage of attechment is een deel van een rapport of scriptie waarin men over het algemeen achtergrondmateriaal opneemt dat de hoofdtekst onnodig lang zou maken. Een bijlage kan ook een los deel zijn die bij een brief of een tijdschrift gevoegd wordt.

    Met de komst van e-mail wordt met een bijlage (of in het Engels een attachment) een apart bestand bedoeld dat met de e-mail wordt meegestuurd.


  • bit: Binary digit, 0 of 1 (computertaal).


  • bitdiepte: Het aantal (binaire) bits dat wordt gebruikt om een kleur van een pixel in een digitale afbeelding te definiëren. Het aantal kleurwaarden voor een bepaalde bitdiepte is gelijk aan 2 tot de macht van de bitdiepte.
    Gangbare bitdieptes zijn:
    1-bit: 2 kleuren, namelijk zwart en wit
    2-bit: 16 kleuren, oa. gebruikt voor de opbouw van knoppen en iconen op het computerscherm.
    8-bit: (grijstinten) - 256 grijstinten
    8-bit: (kleuren) - 256 kleuren
    24-bit: 16,7 miljoen kleuren
    32-bit: 4,3 miljard kleuren


  • blacklist: Een Blacklist is een lijst waarin ip adressen opgenomen zijn die in het verleden aantoonbaar spam hebben verstuurd. Deze lijsten worden op basis van vrijwilligheid onderhouden en gebruikt. Doordat beiden op vrijwillige basis gebeuren, is het heel moeilijk om juridische maatregelen te treffen tegen beheerders en gebruikers van blacklists.
    Wanneer een verzender op een blacklist staat, is daar tegenwoordig een goede reden voor. Het whitelisten van een geblackliste verzender is dan ook niet mogelijk omdat de mailserver(s) van deze verzender dus spam (heeft) verstuurd. De verzender dient dan zelf maatregelen te nemen en aan te tonen dat haar mailserver(s) onterecht in de blacklists staan.


  • bladspiegel: De bladspiegel of zetspiegel is de ruimte op een (gedrukte) pagina waar de letters staan of stand van de zetspiegel op het papier met inbegrip van de witmarges. De ruimte daarbuiten wordt de marge genoemd.

    Het woord zetspiegel komt uit het drukkersvak. Het is het blok waarin de letters worden gezet. Na het drukken op een (uiteraard) groter stuk papier ontstaat vanzelf de witte rand.

    Meer gebruikelijk is de naam bladspiegel omdat deze zowel op gezette (gedrukte) teksten als op handschriften betrekking heeft.

    In de grafologie wordt aan de bladspiegel ook soms aandacht geschonken, omdat die ook iets van de persoonlijkheid zou weergeven. Laat men veel witruimte tussen de regels; gebruikt men kleine marges; is de linkermarge onevenwichtig groter of kleiner dan de rechtermarge; versmallen of verbreden de marges naarmate men lager op het blad komt enz.


  • blinddruk: Reliëfdruk waarbij het beeld alleen zichtbaar is doordat het omlaag of omhoog gedrukt is en het papier of karton, hierbij wordt geen gebruik gemaakt van inkt, vernis of folie.
    Reliëfdruk komt tot stand door middel van een messing blinddrukstempel en een contravorm. Het resultaat van de druk is afhankelijk van het te bedrukken materiaal alsmede de diepte van de stempel.


  • blokbodem-envelop (monsterzak): Akte-envelop (dus met de klep aan de korte zijde) met een zijvouw en een platte bodem. Meestal van stevige kwaliteit (170 grams papier) voor het verzenden van dikkere poststukken.


  • BPI: Bits Per Inch is een maateenheid voor de dichtheid waarmee gegevens op een magnetische band worden geregistreerd.


  • briefpapier: Briefpapier is papier bestemd voor het schrijven, typen of afdrukken van brieven.

    In het bijzonder wordt de term briefpapier ook gebruikt voor voorbedrukt papier waarvan een organisatie, bedrijf of privé-persoon gebruik maakt voor de correspondentie. Het is één van de belangrijke huisstijldragers van een bedrijf. Na een ontwerp (van bijvoorbeeld een creatief vormgever) wordt een stramien opgemaakt. Dit stramien bevat de posities van een aantal vaste briefonderdelen, zoals logo of beeldmerk, datum, geadresseerde, onderwerp, kenmerk en aanhef.

    Tevens zijn de opmaakkenmerken geregeld in dit stramien. Onder opmaakkenmerken vallen bijvoorbeeld lettertype, marge, inspring en afmetingen. Dit alles kan dan consistent worden toegepast door het gebruik van een sjabloon. Ook is het gebruik van een huisstijlapplicatie een veelvoorkomende oplossing bij het toepassen van de huisstijl in documenten.


  • brochure: Een brochure is een boekje, veelal in gedrukte vorm, van geringe omvang. Een brochure bestaat - in tegenstelling tot een folder - uit meerdere vellen gevouwen papier, die in de rug bijeengehouden worden door b.v. nietjes. Het aantal pagina's is altijd een veelvoud van vier.

    Volgens een Unesco-definitie, die al van 1950 dateert, zijn alle boekjes die niet bedoeld zijn voor kinderen, en die meer dan vijf en minder dan 49 pagina's tellen (het omslag niet meegerekend), te beschouwen als brochure.

    Deze definitie is vooral van belang voor statistisch gebruik, onder meer bij het marktonderzoek. In het dagelijkse taalgebruik kunnen brochures ook minder dan vijf pagina's beslaan en kunnen boeken minder dan 49 pagina's bevatten. ISBN-nummers zijn ook toegekend aan boeken van minder dan 49 pagina's.


  • browser: Een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser (ook internetbrowser , (web)bladeraar of webverkenner genoemd) is een computerprogramma om webpagina's te kunnen bekijken. Populaire browsers zijn Windows Internet Explorer, Mozilla Firefox en Safari. Een browser zet webpagina's, die door een webserver zijn aangeleverd, om in een voor mensen leesbare vorm. Vaste elementen van een webpagina zijn verschillende soorten opmaak van tekst, plaatjes en links naar andere webpagina's. Deze links kunnen worden gebruikt om naar andere pagina's te surfen.


  • byte: Reeks van meestal 8 bits.


top ^

C


  • cache: Een cache (spreek uit: kesj, van het Franse werkwoord 'cacher', verbergen) is

    * een opslagplaats waarin veelgebruikte data tijdelijk wordt opgeslagen om sneller toegang tot deze data te hebben, of
    * een kopie van een verzameling data op een medium dat sneller toegankelijk is dan het medium waarop de originele data opgeslagen is.

    Het opslaan van veelgebruikte data op een sneller medium om sneller toegang tot deze data te hebben wordt caching genoemd. De term cache wordt meestal gebruikt voor zowel de data die gecached wordt, als voor de opslagplaats waar deze data gecached wordt.


  • cacheren: Het op-, om- en/of tegenplakken van drukwerk op een kartonnen of kunststof ondergrond.


  • cadeaubonnen: Cadeaubonnen: een cadeaubon is een waardebon die de ontvanger naar eigen keuze kan besteden. Het bedrag dat door de cadeaubon wordt vertegenwoordigd heeft dezelfde functie als ruilmiddel als baar papiergeld, tot het bedrag dat is aangegeven op de cadeaubon.


  • cahiersteek: Schriftensteek zoals vroeger de schoolschriften waren afgewerkt, de draad is aan de binnen- en buitenkant van het product zichtbaar.
    De cahiersteek kan zowel handmatig als machinaal aangebracht worden. Meestal met 3 gaatjes in de rug, waarna het garen wordt aangebracht. Bij de machinale cahiersteek zit het knoopje bijna altijd aan de binnenkant. Bij de handmatige cahiersteek kan dit knoopje zowel aan de binnen- als aan de buitenkant aangebracht worden.


  • calqueerpapier: Doorschijnend papier (transparant) dat onder andere wordt gebruikt voor het maken van bouwtekeningen. Van deze bouwtekeningen kunnen dan blauwdrukken gemaakt worden.


  • cartoon: Een cartoon of spotprent is een humoristische tekening. Dit kan bijvoorbeeld een karikatuur van een bekend persoon, een persiflage van een actuele situatie of simpelweg een afbeelding van een komische situatie zijn.

    Veel kranten en tijdschriften publiceren cartoons. In kranten gaat het vooral om politieke spotprenten.

    Het woord voor cartoon wordt ook wel eens gebruikt voor stripverhalen of tekenfilms,


  • cast-coated: Papier dat is voorzien van een strijklaag die met behulp van warmte en wrijving gepolijst wordt, waarna een hoge glans ontstaat.


  • catalogus: Cataloog – Het woord catalogus wordt gebruikt voor lijsten van uiteenlopende zaken: boeken in een bibliotheek, voorwerpen in een museum, producten of het leveringsprogramma van een postorderbedrijf of groothandel, postzegels,...


  • CC: Afkorting voor Carbon Copy of Copy Conform en betekent identiek afschrift.


  • cellofaan: Geregenereerde cellulose in dunne doorschijnende vellen voornamelijk gebruikt in de verpakkingsindustrie. Cellofaan, dat vetvrij en transparant is, kan bedrukt worden in de diepdruktechniek.
    Cellofaan is een gepatenteerde merknaam.


  • certified PDF (cPDF): certified PDF (cPDF).


  • CMS: Een content-beheersysteem of contentmanagementsysteem is een softwaretoepassing, meestal een webapplicatie, die het mogelijk maakt dat mensen eenvoudig, zonder veel technische kennis, documenten en gegevens op internet kunnen publiceren (contentmanagement). Als afkorting wordt ook wel CMS gebruikt, naar het Engelse content management system (inhoudbeheersysteem). Een functionaliteit van een CMS is dat gegevens zonder lay-out (als platte tekst) kunnen worden ingevoerd, terwijl de gegevens worden gepresenteerd aan bezoekers met een lay-out door toepassing van sjablonen. Een CMS is vooral van belang voor websites waarvan de inhoud regelmatig aanpassing behoeft, en de inhoud in een vaste lay-out wordt gepresenteerd aan bezoekers. De meeste grote bedrijven gebruiken voor hun website tegenwoordig een CMS. Een bekende variatie op het CMS is bijvoorbeeld de weblog.

    Naast bovenstaande betekenis van content management (ook wel web content management) wordt de term ook gebruikt voor de bredere variant, Enterprise Content Management (ECM).

    Een webmanager kan voor de invulling van een CMS-website zorgen.

    Ook: back office, backoffice, CMS-pakket, content management systeem, contentmanagementsysteem, web eye.

    Creatief gebruikt Web-Eye als CMS-pakket, dit werd volledig zelf ontwikkeld


  • cmyk: CMYK (Cyaan, Magenta, Yellow, Key) is een systeem om met vier basiskleuren, inclusief zwart, een groot aantal kleuren te kunnen verkrijgen door subtractieve kleurmenging. Dit systeem wordt vooral gebruikt bij drukinkten. Ook komt soms het CMY-systeem voor, waarbij geen zwart wordt gebruikt. Echter in druktechniek leidt dit doorgaans tot te lichte afbeeldingen, omdat de resultante van pure cyaan, magenta en geel donkergrijs is.

    * C staat voor Cyaan, (bij additieve kleurmenging een combinatie van blauw en groen licht);
    * M staat voor Magenta, een combinatie van rood en blauw licht;
    * Y staat voor Yellow (geel), een combinatie van rood en groen licht;
    * K staat voor Key, zwart.

    Bij meerkleurendruk betekent "Key plate" de drukplaat met de 'artistieke details', dat wil zeggen de lijnen en effecten (in tegenstelling tot kleur-vlakken). Deze details worden gewoonlijk in de donkerste kleur gedrukt, dus bij de vierkleurendruk CMYK in zwart. Bovendien: een 'B' voor Black zou verwarring kunnen geven met 'Blue' (blauw).


    De CMYK-code voor een kleur wordt weergegeven door het dekkingspercentage van de vier inkten die nodig is om die kleur te verkrijgen.


  • coating: Giet- of strijklaag op het basispapier of -karton ter verbetering van het drukresultaat.


  • combinatievouw: Combinatievouw ontstaat door gebruik te maken van parallel- en kruisvouwslagen.


  • communicatie: Bij communicatie wordt informatie met elkaar gedeeld door middel van geluid (zoals bij spraak en toon) en vorm (zoals beeld, symboliek en tekst). Het contact omvat ook handelingen want door gedrag worden eindeloos veel betekenissen kenbaar gemaakt. De impact van (on–)bewuste daden kan heel groot zijn bij betekenistoekenning: non-verbale communicatie kan zelfs de doorslag geven boven doelbewust gekozen woorden en symboliek.


  • compressie: Digitale bewerking van een bestand waarbij het aantal bytes wordt gereduceerd zonder de oorspronkelijke informatie van het bestand aan te tasten.


  • consistentie: Het geheel van vloei-eigenschappen van inkten, zoals boterachtig, streng, stijf, streng, etc.


  • copywriting: Copywriting is het schrijven van, meestal wervende of zakelijke teksten en wordt gedaan door een copywriter. Meestal dient de tekst om de lezer te overtuigen om een product of dienst aan te schaffen of om een merk bekender en geliefder te maken.


  • corps: In de typografie wordt de grootte van de letter aangeduid met de term corps.

    De maat is gelijk aan de afstand (ruimte tussen) van de onderkant van een staartletter (zoals de g, j) tot aan de bovenkant van een stokletter (zoals de f, l). Het corps wordt meestal uitgedrukt in punten.


  • courantdruk: Houthoudend machineglad papier, meestal gebruikt voor kranten en ander goedkoop drukwerk. Het papier bevat weinig lijm en weinig tot geen vulstoffen.


  • cover: Bij een tijdschrift wordt de papieren omslag of kaft ook wel cover genoemd. Op de omslag van een tijdschrift staat vaak een opvallende foto die bij één van de artikelen in het betreffende tijdschrift hoort. Bij modetijdschriften is dat vaak een bekend fotomodel, die de cover model genoemd wordt.


  • CPI: Afkorting voor characters per inch, aantal (letter)tekens per inch.


  • CPS: Afkorting voor characters per second, aantal (letter)tekens per seconde.


  • css: Cascading Style Sheets (afgekort tot CSS) is een manier om de vormgeving voor een serie webpagina's in één keer vast te leggen. De informatie over de vormgeving voor het hele document wordt toegevoegd aan de HTML-code ervan. Die informatie kan in het document zelf staan, maar ook in een extern document dat wordt geïmporteerd. Een dergelijk apart geïmporteerd document wordt ook wel stylesheet genoemd. Een stylesheet biedt de mogelijkheid inhoud en vormgeving van een document van elkaar te scheiden en op die manier een consistente vormgeving over meerdere documenten te bereiken.

    De Engelse term 'style' leidt er vaak toe, dat in het Nederlands ook de term 'stijl' wordt gebruikt, waar echter in dit geval louter uiterlijk of opmaak wordt bedoeld.

    Een belangrijke reden voor de introductie van Cascading Style Sheets is om de vormgeving van webpagina's te standaardiseren, zodat verschillende asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowsers dezelfde pagina op dezelfde wijze aan de gebruiker tonen. Het World Wide Web Consortium (W3C) heeft daartoe de standaard vastgelegd. De vastgelegde standaard is in de loop van de jaren uitgebreid. De oorspronkelijke standaard staat bekend als CSS1. Latere uitbreidingen staan bekend als CSS2 en CSS3. Deze laatste uitbreiding (CSS3) is gedeeltelijk nog in ontwikkeling en is als zodanig geen officiële standaard.

    Moderne browsers ondersteunen CSS1 inmiddels volledig. De ondersteuning voor CSS2 is minder. Omdat CSS3 nog geen officiële standaard is, is daar slechts experimentele ondersteuning voor. Een nog steeds veel gebruikte browser, Microsoft Internet Explorer (versie 6.0) wordt bekritiseerd omdat het onvoldoende ondersteuning van CSS2 biedt. In oktober 2006 heeft Microsoft een nieuwe versie van Internet Explorer (versie 7) uitgebracht. Microsoft heeft daarin grote verbeteringen aangebracht in de ondersteuning voor CSS2.


  • cursor: Teken op een beeldscherm dat de plaats aangeeft van de eerstvolgende invoerplaats. De cursor kan een blok, liggend of staand streepje, punt of ander symbool zijn. Daarnaast kan de cursor, indien ingesteld, ook knipperen.


top ^

D


  • dagbladformaat: Het dagbladformaat is veelal 420 x 580 mm - staand.

    Daarnaast wordt er vaak gesproken over de bladspiegel en de zetspiegel.
    Dagbladformaat met een bladspiegel van 420 x 580 mm heeft veelal een zetspiegel van 400 x 540 mm.


  • data: De feitelijke data, voornamelijk gebruikt voor opslag, transport en verwerking van gegevens op computers.


  • dauwpunt: De temperatuur waarop de lucht verzadigd is met waterdamp en deze waterdamp condenseert.
    Deze temperatuur komt hoger te liggen naarmate de hoeveelheid waterdamp in de lucht toeneemt.


  • DCS: Desktop Color Seperation (desktop kleurscheiding) is een methode waarbij je op het beeldscherm kleurscheidingen van een digitaal beeld produceert en opslaat. Deze opgeslagen informatie is rechtstreeks op een postscriptprinter of een fotografische belichter af te drukken.


  • decalcomanie: Techniek waarbij afbeeldingen en/of tekst middels vocht, van een drager (hierop staat het beeld in spiegelschrift) worden overgebracht op het eindproduct. Middels moffelen of bakken wordt de afbeelding definitief gefixeerd op het eindproduct.
    Deze techniek wordt veel gebruikt in de glas- en aardewerkindustrie


  • degelpers: Een type boekdrukpers waarbij de afdruk tot stand omdat het te drukken vel papier op een vlakke plaat (degel) is geklemd. De afdruk komt door een scharnierende beweging tot stand, doordat de vlakke drukvorm, onder bepaalde druk, tegen het vel papier wordt gedrukt.
    De meest bekende degelpers is de HDA (Heidelberger Degel Automaat)


  • densiteit: Donkerheidgraad van een ontwikkeld fotografisch beeld of inktdekking in een afdruk.
    De zwarting van een oppervlak of doorzichtige laag.

    Densiteit is letterlijk dichtheid. D is een afkorting voor de optische densiteit.
    Met D wordt bedoeld de logaritme van het omgekeerde van de reflectie R.


  • densitometer: Elektronisch instrument waarmee de densiteit of toonwaarde gemeten kan worden ter controle van het drukwerk (de kleurintensiteit is in de hele oplage gelijk).
    Het apparaat bestaat uit een lichtbron, lenzen die een lichtbundel onder een bepaalde hoek op het te meten oppervlak werpen en een fotocel die het gereflecteerde licht meet.
    De hoek van lichtinval en van reflectie kan verschillend zijn. Bij het meten van de densiteit van kleuren schakelt men filters in, waardoor men uiteindelijk toch de 'zwarting' meet.


  • design: Design – Een ontwerp is een beschrijving van iets nieuws of een beschrijving van iets bestaands. Een ontwerp is dus een beschrijving (projectie of model) van de (toekomstige) werkelijkheid.


  • diepdruk: Drukprocédé met (koperen) cilinders waarin de drukkende delen uit rasterpuntjes (rasternapjes) bestaan, deze rasterpuntjes liggen verdiept in de cilinder, de inkt vult de gaatjes, waarna met een rakel de overtollige inkt van de cilinder wordt verwijdert. Het papier wordt tegen de cilinder met inkt aangebracht, waardoor het drukbeeld ontstaat. Meestal een rotatiedruktechniek.


  • digitaal: Het weergeven van gegevens, zonder nuances, op slechts één manier, zoals 1 en 0, koud of warm, aan of uit.


  • digitaal drukken: Digitale printers bestaan al sinds de 70-er jaren, maar zijn vooral de laatste 10 jaar sterk in opkomst als alternatief voor de traditionele druktechnieken. Los van de techniek is het grootste verschil met de traditionele druktechnieken dat de vaste kosten per drukwerkopdracht heel laag (virtueel nul) zijn. Daarentegen zijn de variabele kosten per vel veel hoger dan bij traditioneel drukwerk. Als gevolg hiervan is digitaal drukken vooral in het voordeel bij kleinere oplages en voor spoedklussen. De gemiddelde oplage van drukwerk is al sinds de jaren negentig aan het dalen. Ook de gewenste doorlooptijd van drukwerk wordt steeds korter omdat opdrachtgevers steeds meer gewend zijn dat in de digitale wereld alles instantaan kan. Beide trends stimuleren het gebruik van digitaal drukwerk.

    Digitale printers zijn in hoofdlijnen in 2 technologieën te verdelen: electrofotografisch en inkjet. Electrofotografische printers werken volgens hetzelfde principe als de bekende laserprinters, maar dan groter, sneller en betrouwbaarder.

    Fabrikanten van produktieprinters zijn onder meer Océ, Kodak, Xerox, Canon en Infoprint.

    Professionele inkjetprinters werken globaal volgens hetzelfde principe als inkjetprinters voor consumenten. Vooral voor groot formaat drukken (alternatief voor zeefdruk) is inkjet al jaren de dominante technologie. Belangrijke leveranciers zijn hier o.a. Océ, Mutoh, Vutek en Roland. Sinds enkele jaren is inkjet ook in opkomst als alternatief voor offsetdrukken. De nieuwste producten zijn qua snelheid al vergelijkbaar met sommige offsetpersen.


  • digitale beeldbewerking: Digitale beeldbewerking of fotobewerking is het bewerken van afbeeldingen die op een computer gemaakt zijn of die gedigitaliseerd zijn of uit een andere digitale bron (zie digitale fotografie) gemaakt zijn. Ook wanneer er een afbeelding gescand is, d.w.z. vervaardigd met een scanner, waarbij een afdruk als een digitaal bestand opgeslagen wordt, wordt vaak naderhand m.b.v. een grafisch programma de afbeelding bewerkt.

    De bewerking dient ervoor om het beeld te verbeteren, of om een artistieke bewerking toe te passen of om de aandacht meer op een bepaald onderdeel te richten.


  • digitale fotografie: Digitale fotografie is het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera, waarin zich een lichtgevoelige beeldchip bevindt die met de elektronica en software voor de beeldopbouw en vastlegging zorgt. De digitale fotografie werd voor het eerst mogelijk in september 1981.

    Voordelen van digitale fotografie zijn:
    * e mogelijkheid het resultaat onmiddellijk te controleren;
    * de snellere invoer voor bewerking op computers;
    * de lage kosten voor mislukte opnames;
    * de mogelijkheid om relatief goedkoop meer beelden in de camera op te slaan.

    Een gecombineerd voor- en nadeel is het beheer van de eenmaal genomen foto's: hoewel door de digitale aard een foto gemakkelijker beheerd kan worden, moet de fotograaf hier ook meer aandacht dan voorheen aan besteden.

    De fotografie voor bvb productfotografie kan zowel in onze fotostudio als op locatie met eventuele professionele belichting.


  • DIN: Afkorting van Deutsches Institut für Normung. Deze normen worden opgesteld door de Deutscher Normenausschuss te Berlijn in samenspraak met de industrie en handel, de wetenschappelijke wereld en de verbruikersverenigingen. De eerste DIN norm verscheen in 1918. De Nederlandse tegenhanger is de NEN-norm.


  • dispersie: Substantie van fijn verdeelde vaste-stof-deeltjes in een vloeistof. In tegenstelling tot 'oplossing' waarbij geen vaste-stof-deeltjes meer aanwezig zijn.
    Voorbeeld van dispersie zijn de pigmentdeeltjes in een olie (inkt)
    Voorbeeld van oplossing is suiker dat in water is opgelost.


  • dispersielak: Vernis op waterbasis
    Dispersielak kan online (in één drukgang op de drukpers) of offline (in een extra bewerking) worden aangebracht.


  • domeinnaam: Een domeinnaam is een naam in het Domain Name System (DNS), het naamgevingssysteem op internet waarmee netwerken, computers, webservers, mailservers en andere toepassingen worden geïdentificeerd.

    De verschillende delen van een domein worden van elkaar gescheiden door punten. Een voorbeeld van een domein is creatief.be. Om deze naam vast te leggen is een registratie vereist. Meestal is dit de naam van de persoon of het bedrijf waarover de pagina gaat, soms is het ook het thema van de website. In principe is alles mogelijk, zolang de naam bestaat uit een combinatie van twee of meer tekens. De combinatie mag bestaan uit de letters a tot en met z, eventueel aangevuld met cijfers 0 tot en met 9 of een streepje -.


  • domeinregistratie: Wie kan een .be-domein registreren? Iedereen, zowel bedrijven als organisaties als particulieren. U hoeft geen inwoner van België te zijn of als bedrijf niet in België gevestigd te zijn. Door een domeinnaam te registreren bekomt u een jaarlijks gebruiksrecht op die domeinnaam. Een domeinnaam kunt u dus niet kopen of als uw eigendom beschouwen.
    Een domeinnaam kunt u enkel aanvragen via een registrar. Dat is een firma die met DNS.be een contract ondertekend heeft, waardoor ze gemachtigd zijn om domeinnamen te registreren.

    Indien u een domeinnaam met een andere suffix dan .be wenst te registreren kan dit uiteraard ook.


  • downloaden: Downloaden is het overdragen van computergegevens van de ene computer naar de andere, waarbij het initiatief van de ontvangende computer uitgaat. De ontvangende computer heet 'cliënt' en de zendende computer heet 'server'. Wie met de browser gegevens op het internet bekijkt of emails uitleest, is technisch gezien aan het downloaden. Meestal spreekt men pas van downloaden als men gegevens ophaalt met de bedoeling ze permanent op te slaan.

    Downloaden via een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser komt het meest voor. Daarnaast kan men ook downloaden via IRC netwerken, peer-to-peer netwerken (bijvoorbeeld bittorrent of LimeWire), FTP, instant-messengers, nieuwsgroepen, Usenet.

    Ook het overzetten van bestanden naar externe gegevensbronnen zoals een CD-ROM of een digitale camera kan worden aangeduid als downloaden. Daarbij wordt de conventie gehanteerd dat men het over downloaden heeft als er sprake is van gegevensoverdracht van een groot medium (bijvoorbeeld de computer) naar een klein medium (bijvoorbeeld de digitale camera). Voor uploaden geldt dan het omgekeerde.

    Sommige mensen zijn vrijwel voortdurend aan het downloaden, via P2P programma's of Usenet. Er wordt soms gesproken van een downloadverslaving.

    Uploaden versus downloaden
    Het omgekeerde proces: bestanden van de client naar een server overzetten of kopiëren noemt men uploaden.

    Het resultaat van zowel uploading als downloading is dat er een bestand van de ene computer naar een andere wordt gekopieerd. De termen uploaden en downloaden worden toegepast vanuit het perspectief van de client. Het programma dat de activiteit start is de cliënt, het programma dat de activiteit toestaat (of eventueel weigert bijvoorbeeld als er een foutieve login wordt gebruikt) is de server..


  • DPI: DPI is Dots per Inch, maar ook Pixels per Inch (eigenlijk PPI).

    Over DPI en PPI bestaat in de grafische wereld wat verwarring. Waar men in de grafische industrie spreekt over DPI, bedoelt men in feite PPI. Maar DPI is inmiddels dusdanig ingeburgerd, dat niemand nog echt valt over deze spraakverwarring.

    Onderstaand de juiste uitleg:

    DPI als Pixels per Inch (PPI):
    Eenheid van de resolutie van uitvoerapparatuur (zoals belichters en printers) uitgedrukt in pixels per strekkende inch. De norm voor kleurenfoto's is 300 dpi (ppi).

    DPI als Dots per Inch:
    Het aantal inktstippen per strekkende inch die bij het drukken op het papier terechtkomen. Dot (engels) is stip of punt. Bij een kleurendruk is de DPI in Dots per Inch een veelvoud van de DPI in Pixels per Inch.


  • draaiboek: Een draaiboek is een algemene benaming voor een medium, dat refereert aan een gebeurtenis, script of evenement, waarin tot in detail beschreven staat wat er gebeuren moet, welke middelen daarvoor nodig zijn en wie welke taken heeft.

    Ruwweg kunnen er twee vormen van draaiboeken worden onderscheiden:
    Een draaiboek voor een evenement of gebeurtenis die op stapel staat, bijvoorbeeld in de filmwereld, in de vorm van een zogeheten script, met daarin onder meer de precieze beschrijving van scènes en teksten
    bij evenementen (festivals, kampen, bruiloften etc.), met daarin onder meer het tijdsprogramma en de taken van de verschillende medewerkers
    bij televisie, hierbij wordt vrijwel altijd gewerkt met een draaiboek. In sommige gevallen, zoals bij talkshows (die niet van tevoren vallen te scripten), kan ook worden gewerkt met een line-up. Een tv-draaiboek kan zowel bestaan uit een cameradraaiboek als een draaiboek voor bijvoorbeeld de productie.

    Een draaiboek dat ter hand genomen kan worden, mocht een bepaalde gebeurtenis zich voordoen. Dit draaiboek, ook wel scenario genoemd, wordt onder meer toegepast bij ongevallen of rampen. Het draaiboek bij een uitvaart wordt een scenarium genoemd.


  • droog offset: Drukprocédé waarbij gedrukt wordt van ondiep geëtste platen, via rubberdoek op papier.


  • drukformaat: Het formaat van het drukvel dat door de drukpers gaat. Op dit drukformaat staat naast het eindproduct ook hulpmiddelen voor de drukker zoals paskruizen en kleurcontrolestrips.


  • drukken: Drukken is een vermenigvuldigingsprocedé waar, voor het weergeven van het onderwerp, drukinkt wordt overgebracht op een te bedrukken materiaal met behulp van een drukvorm en een drukkracht.


  • DTP: Desktoppublishing, of DTP, is het bewerken en opmaken van documenten voor drukwerk, en die dus meestal bestemd zijn voor publicatie, zoals boeken, tijdschriften, brochures, en dergelijke, met gebruik van een pc. Desktoppublishingsoftware, zoals QuarkXPress of Adobe InDesign, is speciaal ontworpen hiervoor. In het algemeen vervangen deze programma's de tekstverwerkers en grafische programma's niet, maar worden ze gebruikt om de inhoud die met deze programma's gemaakt is te verzamelen en te verwerken: tekst, rasterafbeeldingen (zoals afbeeldingen die bewerkt zijn met Adobe Photoshop) en vectorafbeeldingen (zoals tekeningen/illustraties die gemaakt zijn met Adobe Illustrator, of CorelDraw). Wanneer het materiaal klaar is voor publicatie, kan DTP-software deze uitvoeren als Postscript of Adobe PDF, die vervolgens door commerciële drukkers kan gebruikt worden om drukplaten te maken.


  • duotone: Manier van drukken, waarbij een foto of illustratie wordt opgebouwd uit 2 pms kleuren.


  • DVD: Een dvd is een optische schijf met een diameter van 12 centimeter waarop met behulp van optische technologie digitale gegevens duurzaam kunnen worden opgeslagen.


top ^

E


  • ECF: Elementary Chlorine Free, een in de papierindustrie gebruikte term die aangeeft dat er bij de productie van de pulp geen elementair chloor of chloorgas wordt gebruikt om de pulp te bleken, maar wel chloorverbindingen als chloordioxide of hypochloriet. Het AOX gehalte: 0,1 - 0,5 kg per ton pulp.


  • educatief spel: - Eigenlijk zijn alle spelen educatief. Spelen is zeer belangrijk in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ze leren er allerlei vaardigheden door.
    - We noemen een spel ‘educatief spel’ wanneer het spel expliciet gericht is op het verwerven van vaardigheden, houdingen en/of kennis
    - We noemen een educatief spel ‘informatief spel’ wanneer het expliciet gericht is op het verwerven of verwerken van bepaalde informatie of kennis
    - De termen informatief spel en educatief spel worden vaak door elkaar gebruik


  • e-mail: E-mail (ook wel email, e-post of elektronische post) is het versturen van digitale boodschappen via onder andere internet. De eerste e-mail over een computernetwerk werd in 1971 door Ray Tomlinson verzonden. Rond 1995 werd het populair bij het grote publiek, samen met het wereldwijde web.

    E-mail wordt vaak gebruikt voor korte, informele berichten. In tegenstelling tot een brief op papier wordt het bij e-mail geaccepteerd om korte en compacte zinnen te gebruiken. Door het meesturen van bijlagen (attachments, mogelijk sinds de Multipurpose Internet Mail Extensions, MIME, zijn ingevoerd) is het ook mogelijk om inhoud in een andere vorm dan tekst te versturen.

    Recentelijk heeft communicatie per e-mail dezelfde wettelijke status gekregen als die per brief. De mailtjes moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De authenticiteit moet zijn gewaarborgd, er moet zekerheid bestaan over de afzender, en er moet niet achteraf aan kunnen worden geknoeid. De zogenaamde "elektronische handtekening" biedt hier uitkomst. De voordelen van een dergelijk gebruik van e-mail ten opzichte van andere vormen van communicatie zijn:
    - Snellere communicatie;
    - Sneller tot een contract kunnen komen;
    - Besparing van (verzend)kosten;
    - Men hoeft niet meer in persoon bij de ander langs.

    E-mail waaraan de ontvanger weinig waarde toeschrijft wordt junkmail genoemd. Een vorm van junkmail is spam, e-mail die ongevraagd aan een groot aantal ontvangers wordt verstuurd. Een e-zine is een tijdschrift dat via e-mail wordt verzonden. Een variant hierop is de e-mail-nieuwsbrief.

    Voorgangers van e-mail zijn de brief, het telegram, de telex, de telefax en binnen Nederland het op Datanet gebaseerde Memocom 400 dat echter nooit succesvol werd. Wellicht wordt e-mail op termijn opgevolgd door mobiele communicatie, zoals de SMS. In de context van e-mail wordt de veel tragere briefpost vaak snail mail genoemd.

    E-mail is tegenwoordig vooral alleen toegankelijk via het Internet-netwerk, maar e-mail kan ook buiten het Internet-netwerk om toegankelijk zijn omdat de oorspronkelijke e-mail niet netwerkafhankelijk is.

    Routering en infrastructuur
    Over het algemeen wordt een e-mail niet direct naar de ontvanger gestuurd, maar verloopt de verzending via een of meer tussenschakels. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een aantal andere internetdiensten, met name DNS. Een e-mail-gebruiker gebruikt een bepaald e-mail-account, bijvoorbeeld bij een Internet Service Provider of een andere aanbieder van e-mail-diensten zoals Gmail, Yahoo!, Hotmail of Windows Live Mail.

    Aan een e-mail-account is een e-mailadres gekoppeld. Dit adres is opgebouwd uit een aantal delen: een gebruikersnaam, het @-teken, server- of ISP-naam, en het top-level domain, bijvoorbeeld .be.

    Voorbeeld: info@creatief.be

    Hier is:
    - info" de gebruikersnaam
    - "creatief" de domeinnaam (kan de ISP-naam zijn)
    - ".be" de top-level-domain aanduiding
    De gebruiker schrijft de e-mail met behulp van een e-mailclient. Dit programma verstuurt de e-mail vervolgens naar de mailserver waarop het mailaccount bekend is. Als de e-mail gericht is aan een e-mailadres dat niet door deze mailserver wordt beheerd, wordt via DNS het adres van een mailserver gezocht die dat wel doet. De mailserver zal de e-mail dan doorsturen naar deze mailserver. Deze stap kan meerdere malen worden uitgevoerd. Vaak voorkomende begrippen in e-mailprogramma's zijn 'CC' en 'BCC', die meestal onder het vak van de geadresseerde staat bij het schrijven van een e-mail. Deze termen staan voor 'Carbon Copy' respectievelijk 'Blind Carbon Copy'. Dit wil zeggen dat er een kopie van de e-mail aan een andere persoon wordt gestuurd. Bij BCC wordt deze kopie verstuurd zonder dat de originele ontvanger dit kan zien bij de geadresseerden.

    Adressering
    Meestal begint een bericht zijn reis doordat het met SMTP aan een SMTP-server wordt verstuurd. Meestal is dat de SMTP-server van de eigen provider, maar het is soms ook mogelijk het bericht naar de SMTP-server van de ontvanger te sturen. Andere SMTP-servers zullen het bericht meestal[bron?] weigeren.

    Verzenden met SMTP
    Het bericht bestaat in SMTP uit de volgende delen:
    - EHLO (verouderd: HELO)
    - MAIL FROM: adres van afzender
    - RCPT TO: adres van ontvanger
    - DATA
    - From: adres van afzender
    - To: adres van ontvanger
    - Subject: onderwerp
    - (lege regel)
    - tekst van bericht
    - . (een regel met alleen een punt geeft het einde aan)

    + De regels 2 en 3 vormen de envelop en zijn vergeljkbaar met de envelop van een papieren brief. Deze gegevens worden gebruikt bij de verzending en eventueel om een bericht naar de afzender te sturen als er een probleem ontstaat.
    + De regels 5, 6 en 7 vormen de header. Deze gegevens zijn vergelijkbaar met het briefhoofd van een papieren brief. Terwijl het bericht met SMTP van server naar server wordt doorgegeven, worden er steeds gegevens aan de header toegevoegd, zodat de routering van het bericht kan worden nagegaan. Deze gegevens worden onderweg niet gelezen en het is dus heel goed mogelijk dat regel 5 en 6 onjuiste adressen bevatten. Ook bij een papieren brief let de post niet op het briefhoofd maar alleen op de envelop.
    + Na de header komt een lege regel en daarna komt de body.

    Een bericht kan naar meerdere adressen worden gestuurd door regel 3 te herhalen. Een e-mailcliënt zal dan ook de hele lijst (tot veler ergernis) in regel 6 zetten. Gebruikt men Bcc, dan wordt dat adres wel in regel 3, maar niet in regel 6 gezet, maar die wordt bij de routering immers genegeerd.

    Ontvangen met POP3
    De uiteindelijke bestemming is meestal een particuliere computer die niet altijd met het internet verbonden is. Daardoor is het niet praktisch het bericht met SMTP naar de bestemming te leiden. Meestal eindigt het bericht dan ook bij de POP3-server van de geadresseerde. De geadresseerde kan het bericht daar ophalen. Daarbij gaat de envelop verloren.

    De e-mailcliënt scheidt meestal header en body van elkaar. De body wordt in het berichtvenster getoond, en de relevante gegevens uit de header (verzender, ontvanger, onderwerp) in aparte velden. Wordt het bericht beantwoord, dan wordt er gebruik gemaakt van de regel Reply-to in de header, als die aanwezig is.

    Soms worden afbeeldingen in een e-mail niet meegestuurd maar worden ze bij het weergeven ingevoegd van het web. In dat geval moet men niet alleen bij het ophalen van de e-mail maar ook bij het lezen verbinding hebben met internet.

    Doorsturen
    Soms komt het voor dat een SMTP-server is ingesteld om een bericht naar een ander adres door te sturen. Deze server verandert dan het RCPT TO-adres in de envelop en stuurt het bericht verder.

    Onzichtbare adressen
    Er wordt op gewezen dat de ontvanger, nadat hij een bericht met POP3 heeft ontvangen, in principe niet kan zien wie de verzender is en ook niet aan welk adres het bericht verstuurd was. Deze gegevens stonden namelijk in de envelop en die werd bij POP3 verwijderd. Verder werd het bericht wellicht doorgestuurd (zie vorige paragraaf) waarbij het RCPT TO-adres veranderd werd. Bovendien kan het MAIL FROM-adres onjuist zijn. De ontvanger ziet alleen From en To, maar deze gegevens kunnen door de verzender geheel willekeurig worden ingevuld.

    Soms echter zet de server ook nog een extra regel in de header waaraan de ontvanger kan zien welke adressen er oorspronkelijk op de envelop stonden.

    Vergelijking met papieren post
    De verzender schrijft op een vel papier de gegevens van afzender en geadresseerde (de header) en een bericht (de body). Hij doet de brief in een envelop en schrijft daarop ook de gegevens van afzender en geadresseerde.

    De post verstuurt de brief aan de hand van de gegevens op de envelop. Bij elk postkantoor wordt de brief geopend om een poststempel op de brief (niet op de envelop) te zetten.

    Moet de brief worden doorgestuurd, dan wordt de envelop vervangen.

    Bij aflevering wordt de envelop verwijderd. Alleen de brief wordt bezorgd.

    Misbruik
    Door de vatbaarheid van met name de e-mailcliënt Outlook Express is de verspreiding van virussen en wormen via e-mail een zeer groot probleem geworden. Voordat e-mail op grote schaal gebruikt werd, werden virussen vooral verspreid via diskettes.

    Ook het versturen van grote hoeveelheden spam is een groot probleem. De hoeveelheid spam die verstuurd wordt is dermate groot dat de hoeveelheid e-mails met virussen, wormen of spam meer dan negen maal groter is dan de hoeveelheid reguliere e-mails.

    Een andere vorm van misbruik wordt phishing genoemd. Bij phishing wordt onder valse voorwendselen een ongevraagde e-mail verstuurd, waarbij de ontvanger gevraagd wordt om bepaalde informatie, zoals een wachtwoord of een pincode. Meestal is phishing gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot credit cards of elektronisch bankieren.

    Het grote probleem met het fenomeen e-mail is dat het protocol dat wordt gebruikt om e-mails te versturen, SMTP, ontworpen is zonder authenticatielaag. Dit was in eerste instantie misschien niet technisch mogelijk of omslachtig en stond de eigen uitbreiding in de weg, maar is in deze tijd uitermate lastig.

    Door dit hiaat kan eender wie een e-mail sturen met als afzendadres niet zijn eigen e-mailadres. Hierdoor krijgen internet gebruikers e-mails in hun postvak die zich voordoen als belangrijke berichten en de gebruiker oproepen actie te ondernemen waardoor ze persoonlijke gegevens zouden meedelen via een getruukeerde website (phishing).

    Enkel door de 'header' van de e-mail (een stukje informatie dat de route bevat) te gaan uitpluizen zou men kunnen uitzoeken vanwaar een e-mail daadwerkelijk zou zijn gestuurd, maar dit kan maar tot op een zeker punt, want het dynamisch IP-concept gooit roet in het eten. Doordat iedereen op specifieke momenten een ander IP-adres krijgt van zijn ISP, wordt het traceren van e-mail heel hard bemoeilijkt.

    Om misbruik via e-mail te voorkomen (zoals spam) worden ook wegwerp-e-mailadressen gebruikt.

    Nevenwerking van e-mailverkeer
    Onderzoek wees uit dat e-mailverkeer op de werkplek persoonlijk contact tussen collega's onder druk zet en zorgt voor een minder prettige werksfeer. De helft van de collega's mailt of belt elkaar terwijl men net zo makkelijk even langs kan lopen.


  • E-mailmarketing: E-mailmarketing is een vorm van direct marketing die e-mail gebruikt om commerciële of fondsenwervende boodschappen naar een doelgroep te sturen.

    In de breedste zin kan elke e-mailing die is gestuurd naar een potentiële of huidige klant worden beschouwd als e-mailmarketing, maar deze term wordt normaal gebruikt om te verwijzen naar:
    - Het sturen van e-mails met als doel het verbeteren van de relatie van een onderneming met zijn huidige of oude klanten en om klantloyaliteit en herhaal aankopen te vergroten.
    - Het sturen van e-mails met als doel om nieuwe klanten te werven of om oude klanten te overtuigen iets onmiddellijk te kopen.
    - Toevoegen van reclame in e-mails die door andere bedrijven naar hun klanten worden gestuurd.

    De voordelen van e-mail marketing zijn:
    - Het is extreem goedkoop. Vergeleken met direct mail of gedrukte nieuwsbrieven zijn de kosten te verwaarlozen, want de adverteerder hoeft niet te betalen voor productie, papier, druk of verzending.
    - Het is onmiddellijk van aard. In tegenstelling tot een per brief verzonden advertentie, komt een e-mail aan in een paar seconden of minuten.
    - Het laat de adverteerder zijn boodschap naar zijn doelgroep toe “duwen”, in tegenstelling tot een website die op klanten wacht om er binnen te komen.
    - Het is gemakkelijk om te traceren. Een adverteerder kan geweigerde mails traceren, positieve of negatieve respons, door-clicks en groei in omzet.
    - Het is succesvol gebleken als het goed is uitgevoerd.
    - Het eerste wat de meeste mensen doen als ze hun computer aan doen, is hun e-mail checken.
    - Bepaalde typen interactie met boodschappen kunnen zorgen dat andere boodschappen automatisch worden bezorgd.


  • encryptie: Het beveiligen van digitale informatie door het versleutelen/beveiligen van deze informatie. Hierin zijn zeer veel mogelijkheden, waarvan beveiliging met een wachtwoord de eenvoudigste is.


  • envelop: Een envelop (ook enveloppe of omslag) is het (meest papieren) omhulsel van bijvoorbeeld een brief of wenskaart. Op de voorzijde van een envelop schrijft of print de afzender de naam en het adres, bestaande uit straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam, van de geadresseerde, de ontvanger. Vaak wordt dit alles eerst op een etiket geprint, wat vervolgens op de envelop wordt geplakt. Op de achterzijde kan de afzender zijn eigen naam en adres noteren, of postcode en huisnummer. Dit is niet verplicht, maar biedt onder andere het voordeel dat bij bezorgproblemen de brief eventueel aan de afzender geretourneerd kan worden zonder de brief te hoeven openen. Lang niet alle Nederlanders hebben deze gewoonte.

    Voor het frankeren van de brief worden een of meerdere postzegels in de rechterbovenhoek aan de voorzijde van een envelop geplakt of wordt er een stempel van een frankeermachine op geplaatst. In sommige gevallen is frankeren niet nodig, met name als er van een antwoordnummer gebruik wordt gemaakt. Een envelop kan meestal worden dichtgeplakt doordat er een plakrand met gom is aangebracht op de sluitflap. Door bevochtiging met speeksel of water wordt de gom weer plakkend. Ook zijn er enveloppen die met een hechtstrip dichtgeplakt kunnen worden. Dit is gebruiksvriendelijker, maar levert wel extra afval op in de vorm van een kunststof beschermstripje.

    Enveloppen zijn er in vele vormen, kleuren en formaten. Sommige soorten enveloppen hebben een doorzichtig venster, zodat het adres op de inhoud kan worden geplaatst in plaats van op de envelop zelf. Er zijn ook enveloppen met een binnenbedrukking, dit om leesbaarheid van de inhoud van buitenaf (door de envelop tegen het licht te houden) tegen te gaan. Om cd's of breekbare zaken te versturen zijn er ook enveloppen in diverse formaten, die met luchtkussentjesplastic zijn bekleed aan de binnenzijde (ook wel belletjesenvelop genoemd). Voor officiële documenten of het versturen van A4 stukken worden zogeheten akte-enveloppen gebruikt.


  • EPP: Elektronische PrePress waarbij op geavanceerde apparatuur tekst en beeld verwerkt worden tot complete pagina's. Op het beeldscherm is direct te zien hoe een en ander er gedrukt uit gaat zien (zowel kleur als stand).


  • EPS: EPS (Encapsulated PostScript) is een variant van de postscripttaal voor een bestand met (kleuren)afbeeldingen.


  • etiket: Een etiket of label bevat een beschrijving van een object of de inhoud ervan en kan gemaakt zijn van papier of kunststof.


  • extranet: Een extranet is een type computernetwerk binnen een organisatie. Het maakt onder andere gebruik van het TCP/IP protocol. Het extranet is verwant aan het intranet. In wezen is het extranet een gedeelte van het intranet dat beschikbaar is voor anderen, buiten de organisatie.

    Het doel van een extranet is het beveiligd beschikbaar stellen van bedrijfsinformatie en gegevens aan klanten, partners en leveranciers buiten de organisatie. Hierbij is het mogelijk, naast het raadplegen van gegevens, deze tevens te muteren. Bijvoorbeeld: een bedrijf staat klanten toe, via het extranet, rechtstreeks op het bedrijfsnetwerk bestellingen te plaatsen.


  • e-zine: E-zine (of ezine) is ontstaan uit de samentrekking van "electronic" en "magazine". In het Nederlands ook wel webtijdschrift of netblad genoemd. Het is een elektronisch tijdschrift over een bepaald onderwerp. De meeste e-zines worden periodiek verspreid via e-mail. Het verschil met een nieuwsbrief is dat een nieuwsbrief meestal alleen verstuurd wordt als er nieuws is.


    [bewerk] Toepassing
    De e-zine zelf wordt meestal volledig verspreid via e-mail, maar het is ook mogelijk dat via e-mail een link gestuurd wordt naar de abonnees, die op de link kunnen klikken en de e-zine vervolgens op een website lezen. Dit wordt ook wel een webzine genoemd.


top ^

F


  • face paint make-up: Een huidvriendelijke make-up verf die op drukwerk kan worden aangebracht. Onder andere geschikt als gimmick voor kinderen, maar denk ook eens aan de kleur oranje tijdens belangrijke voetbalwedstrijden van het Nederlands elftal !
    Deze inkt (make-up) wordt aangebracht in zeefdruk.


  • FEWEB: De vzw Federatie van Webontwikkelaars biedt professionele ondersteuning aan de webontwikkelaars d.m.v. informatieverstrekking, belangenbehartiging en kwaliteitsborging.


  • files: Algemene aanduiding voor digitaal opgeslagen bestanden.


  • flexodruk: Een rotatieve hoogdruktechniek gebruikmakend van flexibele (rubberen) styps en sneldrogende dunne vloeibare inkt, ook wel anilinedruk genoemd.
    Vroeger voornamelijk gebruikt voor het bedrukken van plastic en papieren zakken (draagtassen), tegenwwordig ook gebruikt voor goedkoop en eenvoudig drukwerk (bijvoorbeeld telefoonboeken en kranten).


  • folder: Een folder is een gevouwen (uit het Engels: to fold = vouwen) stuk papier, bedrukt met reclame.

    Folders kunnen informatie bieden over één en enkele producten van een bedrijf of een overzicht bieden van tijdelijke aanbiedingen van een winkel. De eerstgenoemde wordt bij voorkeur verstrekt aan een selecte doelgroep. Bij de tweede soort gebeurt de verspreiding veel minder selectief, vaak huis-aan-huis.

    Het huis-aan-huis rondbrengen van folders wordt vaak toevertrouwd aan jongeren die een klein bedrag per rondgebrachte folder ontvangen. Een aanzienlijk aantal mensen ergert zich aan dergelijke ongevraagde folders. Het aanbrengen van een sticker op de brievenbus waarin wordt aangegeven dat men dergelijk ongeadresseerd drukwerk niet wil ontvangen, voorkomt een groot deel van de ergernis. Het huis-aan-huis en op straat verspreiden van folders wordt ook wel folderen genoemd .

    Veel folders zitten bij elkaar in een plasticverpakking. Dit zijn zogenaamde ingesealde folders. Hierdoor heeft de bezorger minder werk en kunnen de folders moeilijker beschadigd raken. De laatste jaren worden er ook veel kortingsbonnen en dergelijke gestuurd bij folders, om te voorkomen dat consumenten de folders meteen weggooien.


  • foliedruk: Veredelingstechniek waarbij een dunne kleur- of metaalfolie op het drukwerk wordt aangebracht.
    We onderscheiden:

    Foliedruk (warme):
    Drukprocédé waarbij een dunne folie met behulp van een magnesium cliché of messing stempel, warmte (zo'n 130ºC) en hoge druk op papier wordt aangebracht.

    Koude foliedruk:
    Bij deze techniek, voornamelijk gebruikt in de farmaceutische- en voedingsindustrie, wordt met behulp van flexo- of offsetdruk een hechtmiddel op het drukwerk aangebracht, waarna de kleur- of metaalfolie op het drukwerk wordt gelamineerd. De folie hecht alleen op de delen die vooraf zijn behandeld/bedrukt met het hechtmiddel.


  • font: Verzamelnaam voor de varianten van een lettertype. Een font bevat alle tekens (kapitalen, onderkast, cijfers en leestekens) van één lettertype.


  • FQDN: Voor het versturen van e-mail zijn er afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn terug te vinden in de daarvoor bestemde RFC's. Een van de RFC's beschrijft hoe een mailserver moet communiceren met andere mailservers. Deze procedure wordt ook wel een 'handshake' genoemd en wordt door elke mailserver ondersteund.

    Bij het ontvangen van e-mail krijgt de mail server dus voor elke e-mail een handshake te verwerken. Binnen deze handshake dienen een aantal stappen te worden genomen. Deze stappen zijn ook netjes beschreven in de RFC's. Binnen deze stappen komt ook de FQDN aan bod. Door het gebruik van een FQDN in een handshake stellen de servers zichzelf netjes aan elkaar voor.


  • FTP: File Transfer Protocol (FTP) is een protocol dat uitwisseling van bestanden tussen computers vergemakkelijkt. Het standaardiseert een aantal handelingen die tussen besturingssystemen vaak verschillen.

    Een FTP-client start een connectie met een FTP-server standaard via een verbinding met TCP-poort 21.

    Techniek
    Het concept FTP is gebaseerd op het client-servermodel dat ook andere delen van het internet kenmerkt. De clientsoftware maakt een verbinding met de opgegeven FTP-server aan de andere kant van de 'lijn'. Deze antwoordt aan de client, waarna de client de gegevens aan de gebruiker toont.

    Veiligheid
    Standaard FTP-verbindingen zijn niet voorzien van encryptie, zodat de verstuurde gegevens gemakkelijk kunnen worden uitgelezen door hackers. Door gebruik te maken van een encryptie-laag kan dit, voor zover mogelijk, worden voorkomen.


top ^

G


  • genest vouwen: Genest vouwen betekent dat meerdere vellen, eventueel vooraf vergaard. tegelijk gevouwen worden.

    Voorbeeld:
    Plano vellen, meestal A4 brieven of bijlagen, vooraf vergaren en als één geheel 1 of meerdere slagen vouwen. Hierdoor is het niet meer noodzakelijk brieven en/of bijlagen van A4 formaat eerst op een aparte machine te moeten voorvouwen alvorens deze in C5/6 of C5 te kunnen couverteren.

    Voorbeeld:
    Genest vouwen kan ook betekenen dat er 2 vellen in elkaar gevouwen worden, een vel wordt 2 slagen kruis gevouwen, waarbij de kop losgesneden wordt, zodat er een 8 pagina's krantje ontstaat.


  • gewicht van papier: Het gewicht van het papier wordt aangegeven in:
    1. in kilo's
    2. per 1.000 vel
    3. in gr/m²


  • ghosting: Ghosting openbaart zich pas bij het weerdrukken. De zwaardere partijen (volvlakken en donkere foto's) van de schoondruk tekenen zich, gespiegeld, af bij met name een volvlaksbedrukking in de weerdruk.
    Plaatselijk zal dan een mat- of glanseffect zichtbaar worden.
    Als oorzaak wordt algemeen verondersteld dat de droging van de schoondruk te traag is verlopen of er wordt te snel tegengedrukt. Hierdoor zal de inkt tijdens het drogen van de schoondruk ''uitdampen'' tegen de nog onbedrukte zijde van het vel. De coating zal ter plaatse van het drukbeeld de ''dampen'' absorberen, waardoor op die plaatsen bij het tegendrukken een andere inktwegslag zal optreden. Hierdoor ontstaat dan het glans- of mateffect, dat men ghosting noemt.
    In de praktijk veelvuldig getoetste oplossingen zijn:
    * laat de schoonzijde langer drogen (meer droogtijd)
    * zorg voor een juiste inkt/vochtbalans (minimaal vocht gebruiken)
    * druk de juiste densiteit (niet te vet)
    * maak na het drukken kleine stapels, niet hoger dan 35 cm
    * gebruik zo min mogelijk verschillende inktsoorten door elkaar
    * vermijd overnight en bakfrisinkten
    * druk de zwaarste drukvorm als eerste


  • Google AdSense: Google Adsense is een internet-advertentiemakelaar, eigendom van Google. De dienst biedt webmasters de mogelijkheid geld te verdienen met hun website door relevante advertenties op de website te plaatsen. Tot de mogelijke advertentieformaten behoren banners, tekstuele links en zoekvensters. De webmaster krijgt telkens een geldbedrag (enkele eurocenten tot tientallen euro's) wanneer een bezoeker de link naar de andere website volgt.

    Google Adsense is afhankelijk van Google Adwords, dat bedrijven in staat stelt hun advertenties via het AdSense-netwerk te verspreiden


  • Google Adwords: AdWords is een belangrijk onderdeel van zoekgigant Google. Het laat bedrijven toe reclame te maken op de Google-websites, alsook op websites die gebruikmaken van Google AdSense. Het zijn advertenties gebaseerd op zoekwoorden gedefinieerd door de adverteerder. Als er op één van deze zoekwoorden wordt gezocht, wordt de advertentie naast of boven de zoekresultaten weergegeven.

    Het is de grootste bron van inkomsten voor Google (16,4 miljard euro in 2007).


  • grafisch ontwerp: Grafisch ontwerp – Grafische vormgeving is het visueel vormgeven van ideeën in verschillende media, met als doel om mensen iets mee te delen. Dit vereist de inzet van zowel artistieke als technische vaardigheden. Bij grafische vormgeving wordt zowel visuele expressie als creativiteit nagestreefd in de presentatie van tekst en afbeeldingen.


  • grafisch vormgever: Een grafisch vormgever is een persoon die de grafische vormgeving doet. Het beroep mag niet verward worden met een grafisch ontwerper of designer. Een vormgever is meer bezig met de techniek en de beheersing ervan dan een designer, art-director of ontwerper. Zo tracht hij zoveel mogelijk te weten van programmatuur zoals Adobe InDesign of QuarkXPress. In vroegere tijden was dat natuurlijk meer met de film of nog eerder met loden letters.

    Hij/zij bepaalt binnen de huisstijl de lay-out (indeling), de typografie, de beelddragersoort (papier, schermondergrond, e.d.), het kleurgebruik en de illustratie-/fotosoort. Meestal vervaardigt hij/zij de illustraties of foto's zelf. Een vormgever kan ook zelf een huisstijl maken, zelfstandig of in samewerking met derden zorgen voor een creatieve compositie.

    Een vormgever is niet altijd bij de presentatie van het eindproduct van het ontwerp; dat wordt voornamelijk door communicatie-medewerker, art-director en/of ontwerper gedaan. Zij gaan dan langs bij de klant. Deze bevindingen gaan zij dan weer later verder communiceren met de vormgever. Tot slot bewaakt de vormgever de toepassing en zoekt wanneer nodig naar oplossingen voor eventuele verdere uitbreidingen en of uitingen (bijv. DTP, illustratie, web-layout en/of fotomateriaal) en de technische verwerking (bijv. reproductie, interface-opbouw) van het ontwerp, zodat dit blijft zoals hij bedoeld is.

    Bij de uitwerking van een opdracht houdt de vormgever o.a. rekening met de doelgroep en de door de opdrachtgever/cliënt gestelde eisen. Hij houdt hierbij de stelling 'Vorm volgt Functie' erop na. Bij de vormgever is het belangrijk dat vorm niet de functie overtreft maar dat ze elkaar complementeren. Ook de financiële mogelijkheden en de technische verwerking van het ontwerp houdt hij in de gaten. Een vormgever zal daarnaast trachten bestaande inhoudelijke functionaliteiten te versterken (bijv. optimale leesbaarheid door juiste toepassing van typografie). Ook zal hij/zij trachten extra functionaliteiten toe te voegen door middel van de vorm (bijv. signaalkleur als blikvanger voor de belangrijkste informatie). Hij/zij geeft daarbij tevens adviezen aan de opdrachtgever om tot een optimaal eindproduct te komen.


  • grafische termen in 4 talen (vertalingen): Onderstaand een overzicht van vertalingen van een selectie van de meest gebruikte grafische termen.
    NederlandsEngelsDuitsFrans
    aanleverdatum materiaaldelivery date of materialAnliefertermin des Materialsdata de remise de matériel
    advertentieadvertisementAnzegeannonce
    advertentiekolomadvertising-columnAnzeige spaltecolonne de publicité
    aflopendbleedablaufendformat plein papier
    afwerkingfinishingNachverarbeitungfinissage
    binnenwerkinside workinner Lagenintérieur
    bladspiegeltype pageSchriftspiegelformat d'une page
    breedte x hoogtewidth x depthBreite x Hohelargeur x hauteur
    brochurebrochureFaltbladbrochure
    diepdrukgravure printingTiefdruckhéliogravure
    filmfilmFilmfilm
    foliedrukfoil stamp--
    formaatformatFormatformat
    garenloos gebrocheerdadhesive or perfect bindingKlebebindungbrochure sans couture
    gehecht gebrocheerdsaddle stitchingRückstichheftungpiqûre à cheval
    genaaid gebrocheerdpaperboundbroschiertbroche livre de poche
    gestreken papierglazed papersatiniertes Papierpapier satiné
    holnietjeeyelet / ring stapple - -
    houthoudend papiermechanical (wood) paperholz Papierpapier avec bois
    houtvrij papiergroundwood free paperholzfreies Papierpapier sans pâte mécanique
    krantnewspaperTageblattgazette
    laminerento laminatekaschierenlaminer
    leverdatumdelivery dateAblieferungstermindate de livraison
    litho'slithoVorlage auf filmtypon
    machine coatedmachine coatesMaschineengestrichencouché machine
    matchprintmatchprintmatchprintmatchprint
    mat gesatineerddull finishmattgeglättetapprèt mat
    offertequotationKosten(vor)anschlagdevis
    omslagcoverUmschlagcouverture
    oognietjesloopstitch(ed)--
    oplageimpressionAuflagetirage
    papierpaperPapierpapier
    pregento embossprägengaufer
    prijspricePreiseprix
    printprintAusdrucklistage
    proef(drukproef)proofProbedrucképreuve
    rasterscreenrastertrame
    rilcreaseRillerainure
    rotatie offsetweb-fed offsetOffsetrollenrotationoffset à bobines
    schoongesnedencut edgesbeschnittentranches rognées
    schoongesneden formaattrimmed sizeEndformatformat fini
    slitten (slitsen)to kiss die cut or face cut--
    snijteken
    snijlijn
    cutting marks
    trim marks
    Schnittmarken
    Beschnittmarken
    repères de coupe
    repères de rogne
    stansento diecutstanzencouper à la forme
    tijdschriftmagazineZeitschriftjournal
    titelheadinguberschrifttitre
    vellen offsetsheet fedbogendrukmarfe en feuilles
    vernissento lacquer (varnish)lackierenlacquer
    vouwento foldfalzenplier
    zeefdruk(silk)screen printingSiebdrucksérigraphie


  • grid: Andere benaming voor het stramien.


  • grijswaarden: De afzonderlijke tonale stappen in een foto of afbeelding in relatie tot de digitale gegevens van deze foto of adfbeelding.


  • gulden snede: De verhouding in een rechthoek die als zeer harmonisch wordt beschouwd.
    Deze verhouding is breedte : lengte = lengte : (lengte + breedte), dit is ongeveer 1 : 1,6 (of 5 : 8 ).
    De gulden snede werd voornamelijk gebruikt om de verhouding tussen blad- en zetspiegel te bepalen.


top ^

H


  • hard copy: Een getypt origineel. Om deze hard copy te kunnen reproduceren moet het worden overgetypt en tegenwoordig digitaal worden opgeslagen.


  • harmonica vouwen: Wijze van parallel vouwen, om en om in tegengestelde richting gevouwen, wordt ook zig-zag gevouwen genoemd.


  • helderheid: Kleur
    Eigenschap die aan een kleur wordt toegekend, de helderheid wordt groter naarmate het percentage zwart in de kleur afneemt.

    Papier
    De witheid van papier.


  • herdruk: Het opnieuw drukken van een vorige opdracht.
    Ongewijzigde herdruk, er worden geen corerecties uitgevoerd, die nieuwe opdracht wordt exact gelijk aan het eerder geleverde drukwerk.
    Gewijzigde herdruk, hier worden in het bestand van de vorige order wel wijzigingen uitgvoerd. Het is zelfs mogelijk om een geheel nieuw bestand aan te leveren.


  • holohrafie / hologram: Fotografiemethode waarbij met een laser een foto wordt gemaak met een driedimensionaal effect. Is een dure techniek.
    Een hologram wordt ook in foliedruk gebruikt als extra beveiliging van waardedrukwerk. Bijvoorbeeld op geld of creditcards.
    Naast een keuze uit tientallen soorten kant-en-klare folies met holografische patronen, bestaat er tevens de mogelijkheid een uniek hologram te laten vervaardigen.


  • hoogdruk / boekdruk: De oudste druktechniek waarbij de afdruk op het papier ontstaat doordat de drukkende elementen hoger zijn dan de niet drukkende delen. Deze techniek wordt ook boekdruk genoemd.
    Een goede afdruk komt pas tot stand na het uitoefenen van enige druk.
    Eenvoudigste voorbeeld van hoogdruk is de kantoorstempel met los stempelkussen.


  • html: HyperText Markup Language (afgekort HTML) is een computertaal (meer specifiek, een opmaaktaal) voor de specificatie van documenten op het World Wide Web.

    Daarnaast is HTML een opmaaktaal zoals vele andere, met notaties voor het aangeven van nadruk in tekst, van kopjes, van indeling in paragrafen, van tabellen, en van plaatjes en multimedia (die echter zelf niet in HTML worden gespecificeerd).

    HTML bestaat uit platte tekst waarin met markeringstekens is aangegeven hoe de tekst moet worden geïnterpreteerd, bijvoorbeld als lijst of als opschrift. Zo'n markering wordt (naar het Engels) een tag genoemd - er is geen goed Nederlands woord voor. HTML wordt meestal bekeken met een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser, een programma dat HTML-documenten opvraagt en als opgemaakte tekst aan de gebruiker toont.

    In de loop der jaren is het aantal verschillende markeringstekens (tags) dat in HTML wordt gebruikt, enorm uitgebreid. Om interpretatieproblemen te voorkomen heeft het World Wide Web Consortium (W3C) aanbevelingen opgesteld over welke tags geldig zijn en hoe ze moeten worden geïnterpreteerd. De oorspronkelijke aanbeveling is een aantal malen geactualiseerd in verband met verdere ontwikkeling van HTML. De laatst geaccepteerde aanbeveling, HTML 4.01, dateert van december 1999.

    Sinds het ontstaan van HTML zijn er pogingen gedaan om het tot een exact gestructureerde taal te maken, door te eisen dat de syntaxis van de tags exact gevolgd wordt en hun combinatie aan een precieze grammaticale definitie voldoet. Dit is gedaan door de syntaxis van elke versie van HTML te beschrijven als een toepassing van SGML, en later XML. Dit is een wezenlijke voorwaarde om een uniforme interpretatie van HTML door software te kunnen garanderen. De meeste gebruikers en softwareontwikkelaars hebben zich hier nooit veel van aangetrokken, met als gevolg dat HTML-verwerkende software in de praktijk niet op het correct gebruik van tags mag rekenen, en de eindgebruiker niet op een consistente interpretatie.

    Een tweede continue trend in de ontwikkeling van HTML vormden de pogingen om het tot een structurele (of logische) opmaaktaal te maken, waarbij de tags in het document alleen structuur en algemene eigenschappen van de tekst aangeven, terwijl de details van de presentatie apart van het document worden gespecificeerd. Dit heeft als voordelen dat de opmaak ineens kan worden gewijzigd voor alle documenten tegelijk en dat er verschillende manieren van opmaken kunnen worden gebruikt die bijvoorbeeld toegesneden kunnen zijn op de eigenschappen van de gebruiker (misschien kleurenblind of blind) of het weergevende apparaat (misschien een klein beeldscherm of zwart-wit-papier). Om historische redenen is dit aanvankelijk totaal mislukt, waardoor HTML een grote hoeveelheid presentatiespecifieke tags heeft gekregen, maar uiteindelijk toch doorgezet, waardoor in moderne HTML een nette scheiding van presentatiespecificatie mogelijk is, met behulp van CSS. Daarbij blijft gelden dat HTML niet ontworpen of geschikt is voor het ondersteunen van willekeurige paginavormgeving.

    HTML zelf voorziet alleen in zeer eenvoudige gebruiksinteractie:

    * het aanklikken van verwijzingen
    * het invullen van tekstvelden
    * het klikken in afbeeldingen

    Een min of meer gestandaardiseerde vorm om andere soorten interactie te ondersteunen is het inbedden van scripts geschreven in de taal Javascript. Daarbij blijft gelden dat HTML niet ontworpen of geschikt is voor het ondersteunen van willekeurige grafische user interfaces.

    Het derde doorlopende thema in de ontwikkeling van HTML is het spanningsveld tussen innovatie en standaardisering. De concurrentiestrijd tussen producenten van asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowsers heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van HTML. Producenten ontwikkelden op eigen houtje nieuwe tags, die vaak niet door andere asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowsers werden begrepen, hadden eigen interpretaties van stylesheets en een eigen interpretatie van JavaScript. Sommige van deze HTML-tags zijn later opgenomen in de aanbevelingen, andere niet. Ook nu nog zijn daarvan relicten te vinden in moderne browsers.


  • http: Het HyperText Transfer Protocol (HTTP) is het protocol voor de communicatie tussen een webclient (meestal een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser) en een webserver. Dit protocol wordt niet alleen veel op het World Wide Web gebruikt, maar ook op lokale netwerken (we spreken dan van een intranet).

    In HTTP is vastgelegd welke vragen (de Engelse term hiervoor is requests) een cliënt, bijvoorbeeld een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser, aan de server kan stellen en welke antwoorden (de Engelse term is responses) een webserver daarop kan teruggeven. Elke vraag bevat een URL die naar een webcomponent of een statisch object zoals een webpagina of plaatje verwijst.


  • huis-aan-huis: Een huis-aan-huisblad is een gratis, huis-aan-huis verspreid lokale of regionale periodiek. Vrijwel iedere plaats in België heeft één of meer van deze bladen, die meestal wekelijks worden uitgebracht en gedistribueerd. Andere namen worden ook gebruikt: nieuwsblad, courant, weekblad. Door het wegvallen van plaatselijke en regionale dagbladen neemt hun belang toe. Ook het nieuwsgehalte is sinds de jaren 1960 sterk gestegen.


  • huisstijl: De huisstijl van een organisatie of bedrijf is een consistente presentatie naar buiten toe, vaak de eerste kennismaking voor klanten en belangrijk voor de uitstraling. Er is een duidelijk onderscheid te maken tussen de ruime en de enge definitie van huisstijl.

    Huisstijl: ruime definitie
    Een huisstijl wordt vaak corporate identity genoemd. In die definitie gaat het over de stijl van het huis, en dat gaat verder dan puur visuele zaken. Het gaat ook over communicatie en over het gedrag van de organisatie en haar medewerkers. Deze 3 elementen (design, communicatie en gedrag) dienen evenveel aandacht te krijgen tijdens een huisstijltraject. Volgens professor C.B.S. Van Riel, in het boek "Identiteit en imago" van 2003, ligt het aandeel van de factor gedrag in de identiteit van een onderneming rond 90%. Design en communicatie maken dan de resterende 10%. Huisstijl wordt vaak verwaarloosd, dit kan noodlottige gevolgen hebben voor de onderneming.

    Huisstijl: enge definitie
    In de enge definitie zien we huisstijl als visuele identiteit van een organisatie. Het betreft uitsluitend het symbolische gedeelte van de bedrijfsidentiteit. Hieronder vallen naam, logo, kleur, typografie (lettertype), vormentaal (stramienen/vlakken/curves/opmaak) en fotografiestijl.

    Al deze elementen worden consistent gebruikt in presentaties of op briefpapier, visitekaartjes, offertes, facturen, enveloppen, de website, e-mails etcetera.

    Bij grote ondernemingen bewaakt doorgaans de communicatie-afdeling de huisstijl. Dit kan uiteenlopen van het aanreiken van hulpmiddelen om consistent naar buiten te treden (zoals powerpoint templates en digitale logo-bibliotheken) tot een meer politionele rol waarbij toegezien wordt op naleving van interne richtlijnen.


  • hyperlink: Een hyperlink (of kortweg link) - met een Nederlands woord verbinding of koppeling - is een computer- en internetterm en duidt op een verwijzing (referentie) in een hypertext (bijvoorbeeld een website).

    Het activeerbare element van de hyperlink wordt het anker genoemd; meestal is dit een stukje tekst, maar het kan ook bijvoorbeeld een knop, invulbaar veld, of plek (hot spot) in een afbeelding (image map) zijn.

    Het volgen van een hyperlink (bv. door erop te klikken) roept een andere plek in de hypertext op, meestal een andere pagina. In interactieve naslagwerken en helpsystemen, bijvoorbeeld, zijn de ankers veelal termen, waar de opgeroepen pagina's nadere uitleg over geven.

    Veel hypertext is te verdelen in onafhankelijk onderhouden verzamelingen "hyperdocumenten"; het World Wide Web bestaat bijvoorbeeld uit websites. Deze documenten hebben meestal een algemene voorpagina (de homepage van een website). Het maken van hyperlinks naar andere pagina's dan de beginpagina wordt dieplinken genoemd.


  • hysterese: Het absolute vochtgehalte in papier, waarmee het relatieve vocht in evenwicht is. Hysterese wil zeggen dat dit punt afhankelijk is of het vochtgehalte wordt verhoogd of verlaagd.


top ^

I


  • ICC: ICC (International Color Consortium) is een internationaal erkend en geaccepteerd instituut dat een methode heeft ontwiikeld om een consistent kleurbeheer te bereiken in de prepress- en drukfase. Scanners, monitoren (beelschermen) en drukpersen kunnen gekalibreerd worden naar een onafhankelijke ICC-standaard.

    ICC-profiel is het profiel van vooraf gekalibreerde apparaten, waardoor dit apparaat met een soortgelijk gekalibreerd apparaat kan communiceren en samenwerken.


  • IMAP: IMAP (Internet Message Access Protocol) is een protocol voor het synchroniseren van e-mail. Eigenlijk wordt er direct op de mailserver gewerkt. Inmiddels is IMAP aan versie 4 toe. IMAP houdt de e-mails bij op de server in een mappenstructuur. Deze wordt dan gelinkt aan het "Postvak IN" van de ontvanger. IMAP houdt een mappenstructuur bij van alle gebruikers. Daarom is het veel complexer dan POP3. Een user agent, zoals Outlook Express van Microsoft en Thunderbird, kan daardoor ook alleen bijvoorbeeld een header ophalen, of een gedeelte van een bericht. Dat is handig als je bijvoorbeeld mail via een langzame verbinding binnenhaalt of op een PDA.

    Een ander groot voordeel van IMAP is dat de mail op de server blijft staan waardoor het mogelijk is om vanaf elke locatie met een IMAP-programma in te loggen en alle mail te bekijken. Dit is een groot verschil ten opzichte van het POP3-protocol dat de mails steeds weer opnieuw moet ophalen.

    Een recente uitbreiding van IMAP is het zogenaamde IMAP Idle-commando, waardoor push e-mail mogelijk is (met andere woorden: een nieuwe e-mail wordt meteen zichtbaar op de client, en niet pas nadat de client het besluit op te halen).


  • inch: De inch is een lengtemaat die voornamelijk in de Engelstalige landen gehanteerd wordt (Engeland, Amerika, Canada, Austrlië en Nieuw Zeeland).
    Het eenheidssymbool is in of ".
    Een inch is gelijk aan 2,54 cm (= 25,4 mm). 12 inch is gelijk aan 1 foot.


  • informatiedrager: Elk medium dat wordt gebruikt om informatie op vast te leggen en eventueel te transporteren, denk aan tapes, floppy's, cd's en dvd's.


  • inktabsorptie: De opzuiging van de inkt door het materiaal waarop het aangebracht wordt.
    Bij drukinkt spreekt men van olieabsorptie.
    Bij schrijfinkt spreekt men van waterabsorptie.


  • inslagschema: Geeft aan hoe de pagina's op het drukvel moeten worden geplaatst, zodat na het drukken en vouwen de pagina's op de juiste volgorde en stand staan.


  • interlinie: De afstand tussen de regels tekst, gemeten van de onderkant van de eerste regel tot de onderkant van de volgende regel. Het wordt ook wel regeltransport genoemd.
    Een interlinie is niet hetzelfde als een witregel.


  • internetmarketing: Internetmarketing (ook wel online marketing of e-marketing genoemd) is de marketing van producten of diensten via internet.

    Het unieke voordeel van internetmarketing is dat het relatief goedkoop is om wereldwijd te adverteren.

    Internetmarketing is een samengaan van techniek, design, ontwikkeling, adverteren en verkoop. Tot internetmarketing wordt onder andere gerekend: zoekmachine optimalisatie, reclamebanners, e-mail marketing, referralmarketing, interactieve marketing, blogmarketing en virale marketing.


  • interpunctie: Het plaatsen van leestekens in een tekst, waardoor deze tekst beter te lezen en te begrijpen is. Tevens kan men op bepaalde tekst de nadruk leggen.


  • intranet: Een intranet is een privaat netwerk binnen een organisatie. Het kan bestaan uit verschillende aan elkaar gekoppelde LAN's. Voor de gebruiker is het net een private versie van het internet.

    De meeste intranetten zijn via een gateway gekoppeld aan het wereldwijde internet. Het primaire doel van een intranet is het elektronisch delen van informatie binnen een organisatie. Tevens kan het gebruikt worden voor teleconferenties en om het elektronisch samenwerken in groepen te faciliteren en stimuleren.

    Een intranet maakt gebruik van verschillende internetprotocollen zoals transmissieprotocol TCP/IP of UDP/IP, en het opmaakprotocol HTTP. TCP/IP en UDP/IP zorgen voor de overdracht van informatie tussen twee netwerksystemen; HTTP beschrijft hoe de tekst moet worden opgemaakt (zoals vet, de grootte van letters). Door middel van tunneling is het mogelijk voor een organisatie om via een publiek netwerk, zoals het internet, afzonderlijke delen van het intranet aan elkaar te koppelen. Door middel van speciale encryptie/decryptie methoden en andere aanvullende veiligheidsmaatregelen wordt de betrouwbaarheid van de overdracht verzekerd.

    Grotere organisaties staan hun gebruikers binnen het intranet toe het publieke internet te raadplegen. Deze organisaties maken dan gebruik van zogenaamde Firewall Servers. Deze bezitten de mogelijkheid om het inkomende en uitgaande netwerkverkeer te analyseren zodanig dat de veiligheid van de organisatie gewaarborgd blijft.

    Wanneer een organisatie een gedeelte van haar intranet toegankelijk maakt voor klanten, partners, leveranciers of anderen buiten de organisatie noemt men dat gedeelte een extranet.

    Ook: intern communicatiesysteem, intern netwerk, intranet-systeem


  • IPH / SPH: Impressions per Hour, betekent het aantal afdrukken per uur.

    Sheets per Hour, betekent het aantal vellen dat er per uur door een drukpers gaat.


  • ISBN: International Standard Book Number, nummersysteem om alle boeken te kunnen onderscheiden en te identificeren.

    Het Internationaal Standaard Boeknummer (ISBN) is een unieke titel-identificatie die wereldwijd wordt gebruikt om gegevens van boeken en aanverwante producten op te slaan in computers van bibliotheken, grossiers, importeurs, distributeurs en boekverkopers.
    Het doel van het ISBN is dat elke titel die een uitgever uitgeeft, snel en eenvoudig is terug te vinden in databases. Het ISBN vormt voor boekverkopers het bestelnummer van het boek waarmee informatie over de titel opgevraagd kan worden en bestellingen geplaatst kunnen worden.
    Het ISBN-systeem is er voor beroepsuitgevers, maar ook universiteiten, bedrijven, verenigingen, stichtingen en particulieren kunnen gebruik maken van het ISBN.


  • ISO: International Standard Organisation is een organisatie dat veel normen en aanbevelingen publiceert.
    De organisatie is gevestigd in Zwitserland.


  • ISO 216 (papierformaten): De A-formaten worden beschreven in de ISO-216-norm, die van kracht is sinds 1975. De ISO 216 is de directe opvolger van de DIN-476-norm, die in 1922 in Duitsland is opgesteld. Nederland volgt DIN/ISO sinds 1925 en België sinds 1924.

    De internationale ISO-216-norm geeft waarden voor de A- en B-reeksen tot en met nummer 10. De Nederlandse norm NEN 381 geeft ook nog een C- en D-reeks. De A- en B-reeksen lopen door tot nummer 13, maar de C- en D-reeksen lopen slechts tot nummer 8. DIN 476 vermeldt de A-, B- en C-reeksen.

    Bij levering en gebruik mogen volgens ISO 216 de toleranties 1,5 mm zijn voor maten tot 150 mm, 2 mm voor maten van 150 - 600 mm en 3 mm voor maten boven de 600 mm.

    De C-reeks wordt vooral voor enveloppen gebruikt, omdat het formaat net iets groter is dan de A-formaten, die veel voor schrijfpapier en brochures worden gebruikt. De B-reeks wordt veel voor boeken gebruikt. De D-reeks wordt nauwelijks gebruikt.


top ^

J


  • japanse vouwwijze: een bindwijze waarbij katernen van 4 pagina's worden gevouwen, de vouw zit aan de buitenkant van het product, de open zijde komt in de rug van het product te zitten.


  • JDF: JDF (Job Definition Format) is een op XML gebaseerd, standaard bestandsformaat in de grafische industrie dat is ontwikkeld om de uitwisseling van informatie te stroomlijnen tussen verschillende toepassingen en systemen.
    Dit bestandsformaat helpt bij het samenvoegen van creatieve, prepress-, afwerkings-, productie- en managementinformatiesystemen (MIS) door de eerste stap te bieden in de richting van open integratie.


  • JPG (jpeg): JPEG (Joint Photographic Experts Group) is een fotobestand-compressie standaard, op basis van vele kleuren. (de bestandsextensie is *.jpg)
    Spreek het uit als Jeeepech !


top ^

K


  • katern: Gevouwen drukvel, van 4, 8, 12, 16, 24 of 32 pagina's, meerdere katerns achter elkaar vormen het boekblok/binnenwerk van een boek/brochure.


  • krant: Een krant (vroeger courant en ook wel gazet genoemd) is een regelmatig verschijnende gedrukte uitgave, waarin nieuws wordt opgenomen. Een moderne krant heeft drie basisfuncties: Ten eerste moet de krant haar lezers objectieve informatie bieden over datgene wat er in de wereld gebeurt. Daarbij gaat het over actuele gebeurtenissen of informatie die verbonden is met deze actualiteit. Ten tweede plaatst een moderne krant deze gebeurtenissen en ontwikkelingen in een context. De krant geeft duiding en levert commentaar. Tot slot kunnen bedrijven, instellingen en personen adverteren in de krant. Vanzelfsprekend zijn deze functies niet in alle kranten gelijkmatig aanwezig en zijn de verhoudingen in de loop der tijd geëvolueerd. Daarnaast heeft elke krant ook nog een aantal nevenfuncties, zoals de lezers ontspanning bieden.


top ^

L


  • logo: Een logo (of beeldmerk) is een teken of symbool dat een woord vertegenwoordigt. Het is een grafische uiting die bijvoorbeeld met een bedrijfs- of productnaam geassocieerd wordt.

    Een logo kan bestaan uit een tekening, een duidelijk of juist een nietszeggend symbool. Een logo kan ook geheel geïntegreerd worden met het te vertegenwoordigen woord. In dit laatste geval is het lettertype en kleurkeuze van de letters het 'logo'. Men spreekt over beeldmerk, omdat door de combinatie van grafische elementen, lettertype en kleurkeuze immers een specifiek beeld ontstaat. Het woord "logo" komt van het Griekse woord "? ?????", wat kan worden vertaald als "woord".


  • logo ontwerp: Een beeldmerk of logo is een grafische uiting die met een bedrijfs- of productnaam geassocieerd wordt. Het woord "logo" is afgeleid van het Griekse woord "?????", dat kan worden vertaald als "woord".


  • Luchtreclame: Luchtreclame is een vorm van reclame die gebruikmaakt van luchtvaartuigen: vliegtuigen, helikopters, luchtballons, blimps of met kabelballons. Daarbij gebruikt men verschillende technieken waaronder het beschilderen van de romp van een vliegtuig, het slepen van een spandoek, of het vormen van letters in de lucht met behulp van witte rook (skywriting).


top ^

M


  • magazines: Magazines – Een tijdschrift (ook magazine, Engels) is een periodieke publicatie die per aflevering bestaat uit een bundeling van artikelen. Een tijdschrift kan betaalde advertenties bevatten. In andere gevallen wordt het tijdschrift volledig gefinancierd door de verkoopprijs of functioneert het als een communicatiemiddel aan leden en donateurs van een organisatie. De meeste tijdschriften steunen op een gemengde financiering op basis van advertenties en verkoop.


  • mailinglist: Een mailinglijst is een lijst met e-mailadressen of normale adressen.

    Post (normaal adres)
    Een mailinglijst per post bestaat uit een grote lijst met namen en adressen. Naar deze adressen wordt regelmatig bepaalde post gestuurd. Hierbij kan gedacht worden aan leden van een vereniging welke het verenigingsblaadje ontvangen. Personen kunnen over het algemeen zichzelf aan- of afmelden bij degene die de lijst beheert.

    Internet (e-mailadres)
    Hetzelfde verhaal als een mailinglijst per post, alleen hier zijn de adressen e-mailadressen. Bovendien is het vaak het geval dat de lijst automatisch geüpdatet wordt en dat mensen zichzelf kunnen aan- en afmelden zonder tussenkomst van personen. Inmiddels bestaan er honderdduizenden, misschien zelfs miljoenen mailinglijsten, ook wel discussielijsten genoemd.


  • mailserver: Een mailserver is een server die verantwoordelijk is voor het verwerken van e-mail. Een andere, meer technische benaming voor een mailserver is Mail Transfer Agent (MTA).

    Een mailserver voert over het algemeen twee verschillende taken uit: e-mail uitwisselen met clients en e-mail routeren naar andere mailservers. Voor deze twee taken worden over het algemeen verschillende protocollen gebruikt: POP3 en IMAP voor het eerste, SMTP voor de laatste. Het uitwisselen van e-mail met een client is de taak die uitgevoerd wordt door een Mail Submission Agent (MSA) en Mail Delivery Agent (MDA). De meeste mailservers vervullen zowel de rol van MTA als MSA en MDA. Er is wel speciale software voor de rol van MDA beschikbaar, een voorbeeld hiervan is procmail.

    Een gebruiker die e-mail verstuurt of ontvangt heeft over het algemeen geen directe interactie met een mailserver, maar gebruikt hiervoor een Mail User Agent (MUA) ofwel e-mail client. Het is wel mogelijk om een mailserver direct aan te spreken door een Telnet sessie op poort 25 te openen en direct SMTP commando's te geven.

    Tegenwoordig heeft een mailserver naast het transporteren van e-mail vaak ook de taak om deze te controleren op virussen, dan wel te markeren als spam (ongewenste e-mail)


  • marketing: Marketing of vermarkten is alles wat een bedrijf doet om de verkoop van producten te bevorderen. Traditioneel werd marketing gezien als het geheel van alle activiteiten die erop gericht zijn om, samen met de afdeling verkoop, de ruil van producten of diensten te bevorderen.


  • merk: Een merk is een bepaald woord of afbeelding (of een geluid of een kleur) waarvoor geldt dat er iemand (de merkhouder) is, die het als enige mag gebruiken binnen een regio voor een bepaald handelsdoel. Een merk kan bijvoorbeeld door een bedrijf geregistreerd worden om in de Benelux in juwelen te handelen. Daarna mag niemand anders in de Benelux in juwelen handelen onder die naam.

    Volgens het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom worden als merken beschouwd "alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, met name woorden, met inbegrip van namen van personen, tekeningen, letters, cijfers, vormen van waren of verpakking, mits zij de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden".


  • Microsoft Office PowerPoint: Is een computerprogramma van Microsoft dat deel uitmaakt van Microsoft Office. Het is een pakket waarmee vooral gemakkelijk presentaties gemaakt kunnen worden die bestaan uit meerdere dia's. Door het gebruik van een eenduidige opmaak kan men eenvoudig mooie, eenduidige presentaties maken. Vanaf de 2007-versie van PowerPoint zijn animaties mogelijk, bijvoorbeeld binnen het beeld schuivende tekst, of achter de schermen verdwijnende figuren.

    Tot aan versie 2002 werd het programma gewoon PowerPoint genoemd, vanaf versie 2003 werd het Microsoft Office PowerPoint om duidelijker te maken dat het een onderdeel was van de Microsoft Office suite. In het Nederlands wordt de merknaam PowerPoint ook wel gebruikt als soortnaam.

    Ook kan er gesproken woord en muziek worden ingevoegd. Door gebruik van hyperlinks kan men per dia verwijzen naar bijvoorbeeld andere presentaties en filmpjes. Bij gebruik van veel foto's in een presentatie (over bijvoorbeeld huwelijk of vakantie) kan men een dia maken met veel hyperlinks. Daardoor kan men kiezen waar een presentatie moet starten. Zo kan men makkelijk een gedeelte dat men al heeft gezien overslaan. In de laatste versie van PowerPoint 2003 is het standaard mogelijk een presentatie zelfstartend op cd te zetten inclusief een viewer. Daardoor kan de cd op elke computer worden afgespeeld, zonder dat er PowerPoint op de computer aanwezig hoeft te zijn.

    Een PowerPointpresentatie gebeurt vaak met behulp van een beamer, een projector die door een computer gestuurd wordt.


  • multimedia: De term multimedia wordt op verschillende manieren gebruikt.

    - Voor computertoepassingen waarin verschillende media worden gebruikt. In deze context zijn media geluid (bijv. muziek in een mp3- of MIDI-bestandsformaat), stilstaand (bijv. foto's) en bewegend (bijv. animaties of video) beeld, andere informatie (bijv. tekst), alsook invoermedia als toetsenbord, aanraakscherm, joystick, MIDI-klavier enz.
    - Om het verschil tussen drukwerk (papier is de beelddrager) en computergestuurde uitingen (computerscherm is de beelddrager) weer te geven. Multimedia staat in die betekenis voor een (doorgaans interactieve) uiting op bijv. een cd-rom, een dvd of een website.
    - In de context van kunst en ontwerp staat multimedia voor een benaderingswijze die zich buiten de traditionele categorieën begeeft. De term wordt meestal gebruikt in relatie met nieuwe media-ontwerpen en kunstdiciplines. Deze hebben immers per definitie een grensoverschrijdend karakter. De diverse producten die daaruit voortkomen noemt men mediakunst.
    - De term multimedia wordt ook vaak gebruikt als verzamelnaam voor visuele en auditieve opslag, weergave en transmissie van informatie, zoals foto, film, bandopname, televisie, internet, e.d.

    Wanneer verschillende media elektronisch met elkaar verbonden zijn en dezelfde digitale code bezitten (nullen en enen) gebruiken we de term multimedia.


  • MX Record: MX staat voor 'Mail eXchanger' en is dus uw mail gateway en uw tweede MX is uw fallback mailserver.

    De adressen van deze machines staan geconfigureerd in uw DNS en vertellen andere mailservers waar deze de mail voor uw domein kunnen afleveren.


top ^

N


  • naamkaartjes: Naamkaartjes – Een visitekaartje, ook wel naamkaartje genoemd, is een kartonnen kaartje waarop belangrijke contactgegevens staan en die zo kan bijdragen aan een soepeler toekomstig contact. Doorgaans worden zij gebruikt in de zakelijke sfeer. Privé- of hobby-toepassingen komen ook voor. Een visitekaartje is meestal -samen met de gever ervan- de eerste indruk die men afgeeft. Vanwege deze eerste indruk wordt het woord "visitekaartje" ook wel als term gebruikt voor goederen of handelingen die als belangrijke indruk aan iemand anders kan doen gelden.


  • nieuwsbrief: Een nieuwsbrief is een regelmatige publicatie, over het algemeen rond een hoofdthema, waar al dan niet gratis op geabonneerd kan worden. Veel nieuwsbrieven worden uitgegeven door verenigingen of commerciële instellingen, zoals bedrijven, om informatie te verstrekken aan de leden of werknemers. Traditioneel werden nieuwsbrieven per post verstuurd naar de abonnees, tegenwoordig kan dit ook per e-mail. De nieuwsbrief heeft als doel abonnees op de hoogte te brengen van het laatste nieuws. Een nieuwsbrief per e-mail wordt ook wel eens met 'elektronische nieuwsbrief', 'e-mailnieuwsbrief', 'e-nieuws' of 'e-nieuwsbrief' aangeduid.

    Online nieuwsbrieven
    Veel websites en bedrijven hebben tegenwoordig ook online nieuwsbrieven (vaak aangeduid met de Engelse term newsletter) die via e-mail worden verstuurd naar mensen op de mailing list zijn ingeschreven. Deze nieuwsbrieven informeren de lezers over updates van de site en/of leveren informatie die eraan verbonden is. Bovendien kunnen nieuwsbrieven een rol spelen in het opbouwen en in stand houden van de relatie van de gebruikers met een website.


top ^

O


  • offsetdruk: Offsetdruk is één van de meest gebruikte druktechnieken. De techniek is een vorm van vlakdruk. Veel handelsdrukwerk, kranten en tijdschriften worden met offset gedrukt.

    [bewerk] De techniek

    De drukvorm wordt over het algemeen genomen uit een dunne aluminium plaat waar via fotografische weg een beeld is aangebracht. Om een afdruk te krijgen van deze offsetplaat moet deze eerst vochtig worden gemaakt. Alle niet-beeld-delen nemen dit vocht aan. Daarna wordt de vettige inkt aangebracht. Aangezien de natte niet-beeld-delen de inkt afstoten, wordt deze alleen op de beelddelen aangenomen.

    De inkt wordt nu door een rubberdoek van de plaat genomen, en overgezet op het papier.

    Tegenwoordig maakt men onderscheid tussen conventionele offset-platen, dat wil zeggen platen die met behulp van een film door een sterke ultraviolette lamp belicht moeten worden (plaatkopie), en computer-to-plate (CtP) waarbij de offsetplaat met behulp van een computergestuurde laserstraal belicht wordt. Niet alleen wordt op de laatste manier de tijd en arbeid kostende plaatkopie overbodig, ook is de kwaliteit van het uiteindelijke drukwerk hoger en stabieler.

    Offsetdruk laat zich goed gebruiken voor hoge oplagen die snel gedrukt dienen te worden zoals een dagblad. Veruit de meeste krantenpersen zijn gebaseerd op het offsetprincipe. Een enkele drukkerij in Engeland gebruikt het flexo-principe (stempelkussenachtig) maar de daar gebruikte inkten zijn slecht recycleerbaar en daardoor minder geliefd door de overheid.

    Bij een fullcolourproductie (de vierkleurendruk - CMYK - cyaan, magenta, yellow, key) gaat het te bedrukken vel langs vier afzonderlijke drukwerken. Het is natuurlijk van het grootste belang dat de vier afzonderlijke kleuren precies op elkaar gedrukt worden. Om dit te garanderen kan hulpapparatuur worden geïnstalleerd.


top ^

P


  • pack-shots: Een packshot (ook packshot) is een stilstaande of bewegende beelden van een product, meestal met inbegrip van de verpakking en etikettering , wordt gebruikt om het product te portretteren reputatie in reclame of andere media . Het is een belangrijke stimulans voor de verkoop, met als doel triggering in de winkel, on-shelf product erkenning. De term packshot verwijst ook naar productplaatsing in een film of tv-show . Pack shots vaak domineren tv-commercials , nemen uit twee tot vijf seconden van een dertig seconden commercial. gesmeed of gelekt packshots voor unreleased producten hebben geleid tot controverse of toegenomen belangstelling voor het product. Packshots kan een eenvoudige foto zijn van het product op een witte achtergrond of kan leiden tot het gebruik van de uitgebreide rekwisieten. Producten die verkocht worden als digitale downloads, zoals software, soms zijn digitaal gegenereerde packshots wanneer er geen fysiek product of de verpakking bestaat.


  • pantone: Pantone is de naam van een bedrijf dat kleurcoderingen publiceert. De coderingen, zoals PMS 200 ('Pantone Matching System'), zijn een eenduidige afspraak tussen alle partijen in een ontwerp- en productieproces (bijvoorbeeld ontwerper, textielleverancier en drukker). Het woord 'matching' ('overeenkomen, samenvallen') geeft aan dat het reproduceren van een bepaalde kleur een belangrijke doelstelling is; dit is geen vanzelfsprekendheid in ontwerp- en productieomgevingen.

    De eerste publicatie, in 1963, was vooral gericht op grafische ontwerpers, drukkerijen, en hun kleurtechniek CMYK. Op dit moment is de catalogus uitgebreid met vertalingen naar elektronisch gemaakte kleuren voor presentatie op beeldscherm.


  • papierdikte: De dikte van een vel papier wordt uitgedrukt in micrometers.
    Een micrometer is éénmiljoenste deel van een meter, ofwel éénduizendste millimeter, en wordt uitgedrukt in µm.

    De papierdikte kun je het beste meten met een micrometer.


  • papierformaat: Een papierformaat beschrijft de afmetingen van een vel papier. Er zijn verschillende standaarden voor de formaten van papier.

    De A-standaard
    De A-serie van papierformaten is een serie van vellen waarbij het eerstvolgende vel steeds een tweemaal zo grote (of kleine) oppervlakte heeft.
    De serie begint met A0, een vel met een oppervlakte van 1 vierkante meter. Met de berekende verhouding levert dat een vel op van 1189 mm bij 841 mm.

    B, C, D
    Overzicht DIN B-formaten

    Soms is één A-formaat te groot, maar het volgende te klein. Om deze reden is er ook een serie B-formaten die dezelfde verhouding van 1:v2 heeft als de A-formaten. Echter het uitgangspunt van de afmetingen is anders: bij het A0-formaat is dat de oppervlakte van 1 m², bij het B0-formaat is dat de lengte van de korte zijde: 1 m.
    B5 is groter dan A5, maar kleiner dan A4; het wordt naast die twee formaten ook vaak gebruikt voor boekwerkjes.

    C- en D-formaten zitten weer tussen de opeenvolgende A- en B-formaten in. C is net groter dan A en D is net iets kleiner dan A. C-formaten worden soms voor enveloppen gebruikt; dan past een vel van het A-formaat er goed in. D wordt nauwelijks gebruikt en is ook geen ISO-standaard.

    ISO 216

    De A-serie wordt beschreven in de ISO-216-norm, die van kracht is sinds 1975. De ISO 216 is de directe opvolger van de DIN-476-norm, die in 1922 in Duitsland is opgesteld. Nederland volgt DIN/ISO sinds 1925 en België sinds 1924.

    De internationale ISO-216-norm geeft waarden voor de A- en B-reeksen tot nummer 10. De Nederlandse norm NEN 381 geeft ook nog een C- en D-reeks. De A- en B-reeksen lopen door tot nummer 13, maar de C- en D-reeksen lopen slechts tot nummer 8. DIN 476 vermeldt de A-, B- en C-reeksen.

    Bij levering en gebruik mogen volgens ISO 216 de toleranties 1,5 mm zijn voor maten tot 150 mm, 2 mm voor maten van 150 - 600 mm en 3 mm voor maten boven de 600 mm.

    De C-reeks wordt vooral voor enveloppen gebruikt, omdat het formaat net iets groter is dan de A-formaten, die veel voor schrijfpapier en brochures worden gebruikt. De B-reeks wordt veel voor boeken gebruikt. De D-reeks wordt nauwelijks gebruikt.

    Papieren met een relatief grote verhouding lengte/breedte moeten bij voorkeur worden gesneden uit een van de standaard formaten (A, B, C). De originele breedte moet worden gehandhaafd en de lengte kan in 3, 4 of 8 gelijke stukken worden verdeeld. Een veel voorkomend formaat is 1/3 A4: 99 x 210 mm.

    [bewerk] Ruwe papierformaten

    De A-, B-, C- en D-reeksen beschrijven reeds gesneden formaten. De ISO-norm beschrijft tevens twee reeksen ruwe formaten voor de A-reeks. De verhouding lengte/breedte is weer v2. RA0 is 1,05 m2 groot en SRA0 is 1,15 m2 groot. De formaten worden afgerond tot op 1 cm.

    Z-formaten
    Bedoeld voor technisch tekenwerk. Het 1Z formaat is gelijk aan het A4 formaat. Vanaf 2Z blijft de breedte gelijk aan de lengte van A4, terwijl de lengte de volgende opbouw heeft: nZ = 180n+30 mm. De samengestelde Z-formaten hebben een afwijkende opbouw.

    Papierformaten in de VS
    Vergelijking van de A-formatenserie met letter en legal, de belangrijkste amerikaanse papierformaten
    Letter (en legal) zijn iets breder dan A4, het in Europa meestgebruikte papierformaat

    In de Verenigde Staten wordt de A-serie niet gebruikt. Daar gebruikt men in plaats van A4 het zogenaamde US Letter-formaat van 8½ bij 11 inch, ofwel 279,4 mm bij 215,9 mm. Dat is dus 6 mm breder dan A4, en 18 mm korter. Printers en kopieermachines kunnen probleemloos op beide papierformaten worden ingesteld.


  • POP3: POP (Post Office Protocol) is het meestgebruikte protocol voor het ophalen van e-mail van een mailserver. Inmiddels is POP in de 3e versie.

    POP3 is een internetstandaard voor het overbrengen van e-mail van een server naar een client (e-mailprogramma van de gebruiker) over een TCP/IP-verbinding (gewoonlijk over poort 110). Bijna alle internetproviders bieden een e-mailaccount aan dat beschikbaar is via POP3.

    De huidige versie van Post Office Protocol, POP3, verschilt sterk van de vroegere versies van het POP-protocol, nl. POP (gewoonlijk POP1 genoemd) en POP2. Gewoonlijk wordt met de term "POP" POP3 bedoeld als het over e-mail gaat.

    POP3 en zijn voorgangers zijn zo gemaakt dat de gebruikers zonder constante internetverbinding (zoals dial-up-internet) hun e-mail kunnen ophalen als ze verbonden zijn met het internet, en vervolgens de berichten kunnen bekijken en bewerken zonder dat het nodig is om met het internet verbonden te blijven.

    Het is gebruikelijk dat een client verbinding maakt met een POP3-server en dan alle e-mails ophaalt en lokaal opslaat. Vervolgens worden de berichten verwijderd van de server en wordt de verbinding verbroken. Daarnaast bieden de meeste clients de mogelijkheid om de berichten op de server te laten staan.

    Dit is in tegenstelling tot het modernere IMAP-systeem dat zowel een "disconnected mode" (de POP3-methode) als een "connected mode" ondersteunt. Clients die IMAP gebruiken laten de berichten gewoonlijk op de IMAP-server staan tot de server ze expliciet verwijdert. Dit en andere eigenschappen van het IMAP-systeem laten toe dat meerdere clients toegang hebben tot dezelfde mailbox. De meeste e-mailprogramma's ondersteunen zowel POP3 als IMAP, maar internetproviders bieden vaak geen IMAP aan.

    Zowel bij het gebruik van POP3 als IMAP om de e-mails op te halen wordt het SMTP-protocol gebruikt om e-mails te versturen. E-mailclients worden vaak "POP-clients" of "IMAP-clients" genoemd, maar in beide gevallen wordt voor de verzending van e-mail gebruikgemaakt van SMTP.

    Zoals veel andere oudere internetprotocollen ondersteunt POP3 oorspronkelijk maar één manier om in te loggen en dat is onversleuteld, dus zonder encryptie. Deze manier om het wachtwoord zonder versleuteling te versturen naar de POP3-server wordt nog heel veel gebruikt. Momenteel ondersteunt POP3 verschillende methodes om in te loggen met verschillende veiligheidsniveaus. Zo is het mogelijk gemaakt om POP3-verkeer door middel van SSL te versleutelen.


    POP3 en veiligheid
    POP3 is een relatief onveilig protocol, met name doordat nergens in de RFC-documenten staat vermeld dat een account tijdelijk geblokkeerd moet worden als 3 keer het verkeerde wachtwoord wordt ingegeven. Hierdoor kan men zeer eenvoudig een woordenboek-wachtwoordhack op een account uitproberen zonder dat daar direct erg veel van opgemerkt wordt. Het is dus raadzaam om een goed wachtwoord te kiezen dat langer is dan 7 karakters en geen bekend woord is. Hiermee geef je jezelf meer garantie dat je e-mails ongelezen blijven.


  • portaalsite: In internetverkeer wordt portaal gebruikt als een webpagina die dienst doet als "toegangspoort" tot een reeks andere websites, die over hetzelfde onderwerp gaan. Soms dus synoniem van start- of hoofdpagina, maar meestal ook als vertrekpunt en overzichtstabel voor verdere navigatie binnen een onderwerp.

    De Engelse naam, die ook veel in Nederlandse teksten gebruikt wordt, is portal.

    Veeleer dan te proberen een eenduidige en algemeen geldige definitie te geven, volgen hierna enkele veel gebruikte definities of pogingen tot definitie.

    Een webtoepassing die via een eenvormige gebruikersinterface toegang geeft tot een gevarieerd aanbod aan informatiebronnen.
    Meer dan een webpagina met links naar andere toepassingen.
    De universele, verpersoonlijkte toegang tot elke toepassing of informatiebron.
    Beveiligde en verpersoonlijkte toegang tot inhoud en toepassingen.
    Alhoewel dus afwijkende definities gehanteerd kunnen worden, wordt algemeen aangenomen dat een portaalsite in grote mate over volgende functies moet kunnen beschikken:
    - Authenticiteit bevestigen
    - Verpersoonlijkbaar zijn (personalisatie)
    - Inhoud beheren
    - Toegang verlenen tot toepassingen
    - Groeperen en integreren
    - Zoeken en catalogeren
    - Samenwerken bevorderen
    - Meertaligheid
    -Distribueerbaar via diverse kanalen

    Het bedrijfsportaal en het gemeenschapsportaal zijn twee brede categorieën van portaalsites. Deze sites bieden dan een startpagina met nuttige links en informatie voor de medewerkers van het bedrijf of de leden van de gemeenschap.


  • portfolio: Een portfolio, van het Latijnse portare (dragen) en folium (vel papier), is in het algemeen een verzameling van werken of verwezenlijkingen van een persoon.

    Een portfolio wordt opgesteld als iemand een overzicht wil geven van zijn werk. Zo vraagt men bij de toelatingsexamens voor het hoger kunstonderwijs in de fotografie een portfolio (een selectie) van reeds gemaakte foto's.


  • prepress: Prepress – Al het voorbereidende werk, van zetten tot films maken, voor dat iets gedrukt kan worden.


  • presentatie: Presentatie – Het aan een publiek tonen en vertellen van informatie


  • print: Printing – Een printer is een apparaat dat de uitvoer van een computer, scanner of digitale camera afdrukt op (foto)papier. Bekende producenten van printers zijn onder andere Konica Minolta, Samsung, Canon, Epson, HP, Lexmark, Brother, Nashuatec, Océ, Ricoh, Xeikon en Xerox.


  • product: Een artikel of winkelartikel is een product dat te koop wordt aangeboden. De verkoop vindt plaats vanuit een winkel, of webwinkel, bijvoorbeeld een supermarkt of een warenhuis. Het overgrote deel van de winkels markeren hun artikelen met barcodes. Artikelen zijn vaak ook beveiligd tegen diefstal door middel van een zichtbare of onzichtbare bescherming. Een artikel is een soort product wat een substantie heeft, dus geen dienst die geleverd wordt.


  • promotie: Alle activiteiten die tot doel hebben de verkoop te bevorderen. Promotie vormt samen met communicatie bovendien de vierde P van de detailhandelsmix.


top ^

R


  • raamfolie: Folie (ook: foelie) is een dun, soms uiterst dun vel metaal of kunststof


  • ral: RAL is een coderingssysteem om kleuren van verf en andere coatings te definiëren. Het systeem is in 1927 in Duitsland ontwikkeld, RAL staat voor ReichsAusschuss für Lieferbedingungen. De standaard wordt beheerd door het Deutsches Institut für Gütesicherung und Kennzeichnung e.V.

    Er zijn op dit moment drie RAL-coderingssystemen. Het cijferpatroon geeft eenduidig aan welk van de drie het betreft:

    * RAL 1012 Citroengeel: RAL Classic - 4 cijfers met unieke kleurnaam.
    * RAL 210 60 30: RAL Design - 7 cijfers, geen vaste naam.
    * RAL Digital: RAL Digital - Digitale, op beeldscherm beschikbare RAL-kleurenlijsten, met benaderingen voor mengverhoudingen in kleurcoderingen RGB, CMYK, HLC, Lab en Hexadecimaal.


  • reclame: Reclame is een vorm van communicatie met het doel potentiële klanten informatie te geven over producten en diensten. Veel reclame is ook bedoeld consumptie aan te wakkeren door het creëren en versterken van een merkimago en een getrouwheid aan een merk. Het is ook het promoten van een product, dienst, bedrijf of idee door middel van een veelal gesponsorde boodschap.


  • reclamebureau: Een reclamebureau werkt reclame-uitingen of zelfs hele reclamecampagnes uit voor een klant.

    Het bureau doet daarvoor een beroep op zowel marketing als creatieve mensen zoals copywriters (tekstschrijvers) en art directors alsmede een hele reeks van andere mensen zoals strategen, traffic- en productiemanagers, fotografen, film- en videoproducenten, mediabuyers, drukkerijen etc.


  • rgb: Het RGB-kleursysteem is een kleurcodering, een manier om een kleur uit te drukken met behulp van een combinatie van de drie primaire kleuren Rood-Groen-Blauw, uitgaande van additieve kleurmenging. De hoeveelheid van elke primaire kleur die benodigd is om de mengkleur te verkrijgen, wordt uitgedrukt in een getal dat meestal uit 8 bits bestaat en kan variëren tussen 0 en 255. Voor HTML-toepassingen (Internet) wordt hiervoor veelal het hexadecimale stelsel gebruikt, waarbij de hoeveelheid van elke primaire kleur kan variëren tussen 00 en FF. In toepassingen waar een hogere kwaliteit vereist wordt worden ook wel 12, 16 of nog meer bits per kleur gebruikt, waarmee kleurwaardes tussen 0 en 4095 resp. 0 en 65535 of nog meer aangegeven kunnen worden. Zo bevatten RAW-bestanden van digitale camera's meestal 12-bits kleurwaarden.


  • rillen: Een groef in papier of karton aanbrengen zodat het daarlangs makkelijk en recht gevouwen kan worden.


  • RSS: RSS, of Really Simple Syndication (eenvoudige gelijktijdige publicatie), is een familie van webfeedformaten. De afkorting RSS heeft drie betekenissen, namelijk:
    - RDF Site Summary (waar RDF staat voor Resource Description Framework)
    - Rich Site Summary
    - Really Simple Syndication

    Vervolgens hebben de bovenstaande afkortingen weer te maken met de vier verschillende versies:
    - RSS 0.90 --> RDF Site Summary
    - RSS 0.91 --> Rich Site Summary
    - RSS 1.0 --> RDF Site Summary (uitbreiding van v0.90, heeft niets te maken met versie 0.91)
    - RSS 2.0 --> Really Simple Syndication (uitbreiding van v0.91, heeft weer niets te maken met versie 1.0)
    Alle RSS-varianten zijn XML-bestanden, RSS-feeds genaamd.


top ^

S


  • SEA: Zoekmachinemarketing, ook wel bekend onder de Engelse term Search Engine Marketing is het specialisme dat webpagina's vindbaar maakt bij zoekdiensten. Dat wil zeggen dat een webpagina op een prominente plaats bij de zoekresultaten van een zoekmachine komen te staan als een zoekmachinegebruiker een voor die webpagina relevante zoekterm intypt. Doordat de webpagina beter gevonden kan worden, verhoogt het de effectiviteit van de reclameuiting op internet.

    Search Engine Marketing kan worden verdeeld in twee deelgebieden: Search Engine Optimization (SEO) en Search Engine Advertising (SEA).
    Creatief maakt gebruik van een eigen SEO-module, nl. Top-Eye, om uw ranking te verbeteren.


  • SEO: Zoekmachine-optimalisatie (Engels: search engine optimization of SEO) is een onderdeel van zoekmachinemarketing en kan worden gedefinieerd als het geheel aan activiteiten bedoeld om een webpagina hoog te laten scoren in de reguliere zoekresultaten van een zoekmachine, op voor de webpagina relevante trefwoorden of zoektermen. Aangezien de plaatsing in die reguliere resultaten gratis is, vormen deze zoekresultaten een interessant alternatief voor zoekmachine-adverteren.

    Hoe optimaliseren
    Over het algemeen kun je zeggen dat de beste optimalisatie voor een website het leveren van kwalitatief hoogstaande inhoud (zgn. "content") is in combinatie met een gedegen structuur. Zoekmachines gaan namelijk op zoek naar de beste inhoud voor de gebruikers van de zoekmachine, en een goede inhoud is daarom een noodzaak. Vaak wordt er rekening gehouden met keyword dichtheid, de title tag en het juiste gebruik van headers. Door juiste (X)HTML te gebruiken wordt er gewicht toegekend aan tekst. Zo weegt tekst tussen <h1> tags binnen websites zwaarder dan tekst tussen paragraph - <p> - tags. Het gebruiken van de juiste tags heet ook wel semantiek.

    Veel bedrijven geven soms veel geld uit aan reclame, maar besteden te weinig werk aan de inhoud van hun website. Wie goed gevonden wil worden op bepaalde producten zal in de eerste plaats er zoveel mogelijk over moeten vertellen.

    Daarnaast is het ook van belang om de website op een juiste manier op te bouwen en een goede titel te gebruiken. Metatags worden tegenwoordig niet veel meer gebruikt voor optimalisatie. Google heeft eind 2008 een 'SEO starter Guide' gepubliceerd. Hier staat duidelijk omschreven hoe Google over de meeste belangrijke zaken rond zoekmachine-optimalisatie denkt en worden de aanbevelingen, do's and dont's van SEO genoemd.

    "Black hat SEO"
    Sommige websites proberen de zoekresultaten van de zoekmachines in hun voordeel te beïnvloeden door gebruik te maken van trucjes. Dit wordt "black hat SEO" genoemd.Een bekende truc is het gebruiken van zinnen met steekwoorden in dezelfde kleur als de achtergrondkleur van de website (cloaking); ze zijn dan wel zichtbaar voor de zoekmachine, maar niet direct voor de bezoeker. Deze trucjes werken vaak in het begin even, totdat ze veel gebruikt gaan worden. Dan verzinnen de makers van zoekmachines methodes om dit soort ongewenste optimalisatie tegen te gaan. Tegenwoordig treden makers van zoekmachines harder op tegen zulke ongewenste trucjes, waarbij websites zelfs uit de index van de zoekmachine verwijderd kunnen worden. Zo werd de Duitse website van BMW 30 dagen volledig uit de zoekindex verwijderd[4] , omdat ze een landingspagina met alleen maar keywords maakten voor zoekmachines, terwijl "echte" bezoekers werden omgeleid d.m.v. Javascript.

    Mogelijkheden
    De titel van de pagina (iedere pagina een eigen titel),
    gebruik van de juiste headers en semantische opmaak
    de naam het bestand (google vriendelijke urls, geen vreemde tekens in de url, niet meer dan 3 diep. GOED: www.wiki.nl/bedrijfsnaam/hosting.php SLECHT: www.wiki.nl/content/site/new/versie5/index?=id323232)
    de domeinnaam,
    "alt" tags aan plaatjes en links (beschrijving van afbeelding/links),
    de inhoud van de pagina
    andere pagina's op je site ,
    de inhoud van de sites die naar je linken
    de populariteit van de sites die naar je linken.

    Professionals
    Voor grote websites wordt zoekmachine-optimalisatie vaak door een specialist uitgevoerd die dit tot zijn commerciële kernactiviteit heeft gemaakt. Zoekmachine optimalisatie is inmiddels zover geprofessionaliseerd en gegroeid dat er zowel een Nederlandse, Europese als een internationale brancheorganisatie is ontstaan. Deze professionalisering is vooral bij het zoekmachine-adverteren aan de gang.

    Wedstrijden
    Er zijn ook websites die zogenoemde SEO contests (SEO-wedstrijden) organiseren waarbij het de bedoeling is, op vooraf bepaalde zoektermen, zo hoog mogelijk te scoren (ranking) in Google of een andere zoekmachine. Meestal gaat het dan om combinaties waar nog geen zoekresultaat voor bestaat.


  • SMTP: Simple Mail Transfer Protocol (SMTP) is de de facto-standaard voor het versturen van e-mail over het internet.

    SMTP is een relatief simpel, tekstgebaseerd protocol: eerst wordt de afzender van het bericht gespecificeerd, daarna één of meerdere ontvangers en vervolgens de verzendgegevens en inhoud van het bericht. Het is gemakkelijk om een SMTP-server te testen door middel van het telnet-programma. SMTP gebruikt TCP-poort 25.

    Om de SMTP-server voor een domein te bepalen wordt het MX-record (MX = Mail eXchange) van DNS gebruikt.


  • spandoeken: Spandoeken – Spandoek – Doek met een slogan erop


  • SSL: Secure Sockets Layer (SSL) en Transport Layer Security (TLS) (zijn opvolger), zijn encryptie-protocollen die communicatie op het Internet beveiligen.

    Omschrijving
    Deze beide protocollen leveren door middel van cryptografie zowel authenticatie als een beveiligde verbinding met het Internet. In alledaags gebruik wordt alleen de authenticiteit van de server gecontroleerd, terwijl de client geheel onbekend blijft. Door het gebruik van PKI is het ook mogelijk om clients te authenticeren. De protocollen kunnen ook gebruikt worden om client/server-applicaties te beveiligen tegen bijvoorbeeld afluisteren.

    Zowel TLS als SSL maakt gebruik van een aantal verschillende stadia:
    - Peer negotiation for algorithm support
    - Public-key encryption-based key exchange and certificate-based authentication
    - Symmetric cipher-based traffic encryption

    Toepassingen
    Zowel het SSL- als het TLS-protocol draait op een laag onder applicatieprotocollen als HTTP, SMTP, FTP en Usenet en boven het transportprotocol TCP, dat deel uitmaakt van de protocolsuite TCP/IP. Ondanks dat zowel SSL als TLS veiligheid kan bieden aan elk protocol dat gebruik maakt van TCP, wordt SSL het meest gebruikt voor HTTPS, bijvoorbeeld ter beveiliging van creditcard-gegevens.

    Indien men het gebruikt om HTTP te beveiligen, wordt het "asp?zoekwoord=http">http://" gedeelte in een URL vervangen door "asp?zoekwoord=http">https://", waarbij de s staat voor "secure". Ook andere klassieke TCP/IP-applicatielaagprotocollen waarbij de informatie (zoals wachtwoorden) normaal onversleuteld over het netwerk gaan, kunnen met SSL/TLS worden beveiligd.

    Geschiedenis en ontwikkeling
    SSL versie 3.0 is ontwikkeld door Netscape en uitgebracht in 1996. Deze versie werd later de basis voor het Transport Layer Security (TLS), een IETF-standaardprotocol. De eerste definitie van TLS kwam voor in RFC 2246: "The TLS Protocol Version 1.0". Visa, MasterCard, American Express en andere financiële instellingen hebben het gebruik van TLS voor commerciële doeleinden gestimuleerd.


  • steunkleur: Steunkleur – Extra kleuren in drukwerk naast het gebruik van zwart


  • stickers: Stickers – Een sticker of zelfklever is een stuk papier of plastic dat langs één zijde klevend is en meestal langs de andere niet-klevende zijde een bepaalde tekst of afbeelding heeft. Stickers komen voor in verschillende vormen, beeltenissen en groottes.


top ^

T


  • tekening: Tekenen – Een tekening is een duurzame neerslag van tekenmateriaal (potlood, pen, penseel, plotter) op een drager (papier, doek of plaat). Men maakt onderscheid tussen: een kunstzinnige tekening een technische tekening


  • textiel: Textiel is letterlijk "al wat geweven is". Het woord is afgeleid van het Latijnse woord "texere" dat weven betekent. In het moderne spraakgebruik wordt textiel veel ruimer gebruikt: textiel is een materiaal, dat bestaat uit filamenten (eindloze draden) of vezels (korte stukjes draad). Textiel is praktisch altijd vervormbaar en kan een, twee- of driedimensionaal zijn. De samenhang in het textiele materiaal ontstaat door de grondstoffen te spinnen, twijnen (of kableren of slaan), weven, breien, knopen, vlechten of door er vilt (een soort harig vlies) van te vormen.


  • typografie: Typografie, van het Griekse t?p?? (tupos: slag, vorm, afdruk) en ???fe?? (graphein: schrijven), behelst het zetten, drukken en vormgeven van teksten, zowel voor functionele als esthetische doeleinden.

    Om deze doeleinden te verwezenlijken speelt de opmaak van tekstblokken, de bladspiegel alsook de keuze van lettertypen, vette en cursieve varianten, witruimte en interpunctie een belangrijke rol.

    Oorspronkelijk was het belangrijkste medium voor de typografie het boek. Anders dan voor boeken is typografie tegenwoordig niet weg te denken van formulieren, webpagina's, interactieve cd-roms, reclameteksten of waarschuwingsborden. Typografie dient rekening te houden met het medium en doel van de geschreven teksten. Deze stellen verschillende eisen voor leesbaarheid en opvallendheid.


top ^

U


  • uitnodigingen: Uitnodigingen – mondeling of schriftelijk verzoek om iets te doen of om je gast te zijn


  • uploaden: Uploaden is computerjargon voor het verzenden van bestanden of andere gegevens van de ene computer naar de andere computer, waarbij het initiatief van de verzendende computer uitgaat. De verzender heet client, de ontvanger heet server. Wil men gegevens van een lokale computer voor het internet, bijvoorbeeld Wikipedia, toegankelijk maken, dan geschiedt dat met een upload, maar het verzenden van e-mail met SMTP is ook een upload.

    Ook het overzetten van bestanden vanaf externe gegevensbronnen zoals een CD-ROM of een digitale camera naar de (eigen) computer, kan worden aangeduid als uploaden. Daarbij wordt de conventie gehanteerd dat men het over uploaden heeft als er sprake is van gegevensoverdracht van een klein medium (bijvoorbeeld een CD-ROM) naar een groot medium (bijvoorbeeld de computer). Voor downloaden geldt dan het omgekeerde.

    Uploaden vanuit een browser
    Voor het uploaden van bestanden vanuit een form in een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser (via het HTTP protocol) is door W3C een standaard encoding geformuleerd: multipart/form-data. Deze encoding maakt het mogelijk dat één of meerdere bestanden samen met andere formelementen in één request naar de server worden gestuurd. Op de server kan het opgestuurde request worden ontleed in de oorspronkelijke gegevens en bestanden.

    In de begintijd van het www was het uploaden van een bestand vanuit de browser niet mogelijk. Voor Internet Explorer versie 3 moest een speciale add-on worden geïnstalleerd om dit mogelijk te maken. Netscape ondersteunt file-upload vanaf versie 3. Vanaf 1997 is file-upload standaard in browsers ingebouwd.


  • URI: Een URI, voluit een Uniform Resource Identifier, is een internet-protocolelement, gebaseerd op eerdere voorstellen van Tim Berners-Lee.

    URL en URN
    Een URL is een URI die impliciet de locatie en benaderingswijze van een bepaalde bron ("resource") definieert. Https:// geeft aan dat het via een netwerk benaderd kan worden. Dit is niet het geval bij een URN waar alleen de naam, en dus de identiteit van de bron, bekend is. Wikipedia kan bijv. dan de bron zijn, maar hoe je dan wikipedia zou bereiken is dan niet verder duidelijk als verder niet wordt aangegeven hoe je het bereikt, zoals dus bij een URN.

    Een URN is een URI die slechts gebruikt wordt als een (unieke) naam, maar niets zegt over waar en hoe deze bron gevonden kan worden.


top ^

V


  • verpakking: Verpakkingen zijn omhullingen van voedsel of andere producten, die na gebruik over het algemeen worden weggegooid als verpakkingsafval. Verpakkingen hebben in het algemeen vier functies, te weten: bescherming van producten tegen bijvoorbeeld stof, vocht en bacteriën; de zogenaamde barrièrefunctie. het bijeenhouden van producten, die een eenheid vormen, bijvoorbeeld om producten te vervoeren en te verhandelen. Een aardappelchip bijvoorbeeld wordt natuurlijk niet los verkocht, maar als eenheid samen met andere chips, dus als gewichtseenheid van bijvoorbeeld 75 gram of 200 gram. het delen van productinformatie, bijvoorbeeld een gebruiksaanwijzing, ingrediëntendeclaratie, houdbaarheidsdatum. alsmede het inzetten van (reclame-)uitingen met als doel de aandacht van de consument te trekken op het schap door middel van kleur, vormgeving of anderszins.


  • visitekaartje: Een visitekaartje, ook wel naamkaartje genoemd, is een kartonnen kaartje waarop een personeelslid of freelancer zich kan presenteren aan anderen, door dit kaartje uit te delen. Ook een privépersoon kan een visitekaartje hebben.

    Een visitekaartje kan worden gemaakt door een drukker, maar er zijn ook automaten waaruit men tegen betaling een stapeltje visitekaartjes kan halen in een standaard lay-out.

    Op het kaartje staat meestal vermeld:
    - Naam van degene die het uitdeelt, eventueel met titels
    - Functie
    - Bedrijfsnaam
    - Telefoonnummer(s)
    - Adresgegevens van het bedrijf waarvoor hij of zij werkt
    - Het logo (beeldmerk) van het bedrijf
    - E-mailadres
    - Adres van de website
    Visitekaartjes worden zowel enkelzijdig als dubbelzijdig gedrukt en soms ook eenmaal gevouwen. De gebruikte papiersoort is meestal houtvrij dun karton, bijvoorbeeld 300 g/m2.

    Sommige mensen laten hun visitekaartje beschermen met behulp van een lamineerapparaat. Ook was het een tijd hip om je visitekaartje als cd-rom uit te delen, met daarop bijvoorbeeld een bedrijfspresentatie. Deze cd-rom was in het formaat van een cd-single en er zijn zelfs rechthoekige exemplaren gemaakt die nauwelijks groter waren dan een normaal visitekaartje. Deze media konden 50 - 100 Mb aan data bevatten.

    Er bestaan speciale doosjes om visitekaartjes in te bewaren. Mensen die veel visitekaartjes krijgen van relaties bewaren deze in mappen die plastic bladzijden met vakjes bevatten in de maat van visitekaartjes.


  • voeding: Onder voedsel wordt verstaan alle organische stoffen die organismen nodig hebben. Met deze stoffen kunnen organismen energie opwekken voor alle processen in de cellen en kan een organisme groeien.


top ^

W


  • W3C: Het World Wide Web Consortium (W3C) is een organisatie die de webstandaarden voor het World Wide Web ontwerpt, zoals HTML, XHTML, XML en CSS. Het wordt geleid door Tim Berners-Lee, de originele bedenker van het HTTP protocol en HTML, waar het Web oorspronkelijk en nog steeds grotendeels op gebaseerd is. De organisatie is in 1994 opgericht in samenwerking met CERN, ondersteund door DARPA en de Europese Commissie.


  • webbrowser: Een webbrowser (ook internetbrowser of (web)bladeraar genoemd) is een computerprogramma om webpagina's te kunnen bekijken. Populaire browsers zijn Windows Internet Explorer, Mozilla Firefox, Safari en Opera. Minder bekende, alternatieve browsers zijn Flock, Camino, Konqueror en Netscape. Een nieuwe ster aan het firmament is Google Chrome. De grootste verzameling gelinkte HTML-pagina's is het world wide web, een onderdeel van het internet. Het gebruik van een browser is in de volksmond synoniem aan surfen op het internet.


  • webdesign: Webdesign is het maken en vormgeven van alle websites in het internet. Webdesign vertoont gelijkenissen met het grafisch ontwerpen van traditioneel drukwerk, maar er zijn opvallende verschillen. Zo zijn kunnen video en audio deel uitmaken van webdesign en verloopt de interactie met de toeschouwer anders. Vanwege de technische aspecten is een webdesigner naast vormgever veelal ook programmeur.

    Structuur
    In tegenstelling tot de traditionele structuur van boeken, met een inhoudsopgave, verschillende indexen, een hoofdstukindeling en dergelijke, worden websites over het algemeen minder lineair vormgegeven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van diverse menu's, zoekfuncties en soms ook loginfuncties om delen van de inhoud af te schermen van het grote publiek. Een manier om oriëntatiemogelijkehden in een website te bieden is de zogenaamde broodkruimelnavigatie, waarbij het door de gebruiker gekozen pad in de boomstructuur van de website op elke pagina is aangegeven.

    Opmaak
    De inhoudelijke samenhang van de boodschap van een website, wordt met computercommando's in de tekst aangegeven. Doorgaans worden hiervoor HTML-codes opgeven. Daarnaast kan gebruikgemaakt worden van een stylesheet. Daarin worden aanwijzingen vastgelegd over de gewenste weergaven van bepaalde asp?zoekwoord=html">html-elementen zoals lettertypes, kleuren en achtergrondafbeeldingen en ook de positionering van en spatiëring tussen elementen op de site. Door meerdere webpagina's aan eenzelfde stylesheet te koppelen, is het eenvoudiger om de hele site in een uniforme opmaak te presenteren. De uiteindelijke weergave is echter voor de designer niet volledig in de hand te houden, omdat verschillende lezer verschillende apparaten zullen gebruiken om zijn websites te raadplegen.

    Dynamische en interactieve webpagina's
    Naast statische opmaakelementen kunnen er ook dynamische elementen worden toegevoegd zoals mouseovers, webvideo's en dergelijke, maar ook afzonderlijke interactieve onderdelen, bijvoorbeeld een landkaart waarvan elk onderdeel afzonderlijk aanklikbaar is. Voor het toevoegen van dynamische en interactieve elementen bestaan allerlei technieken: Javascript, Dynamic HTML, Adobe Flash. Deze sites leveren vaak echter problemen op voor mensen met tekstbrowsers als Lynx en voor bijvoorbeeld blinden die surfen met een spraakbrowser of brailleleesregel, omdat er geen alternatieve inhoud wordt aangeboden.

    Weergave
    Websites zien er niet op iedere computer en in iedere browser identiek uit. HTML wordt door elke computer/browser afzonderlijk geïnterpreteerd en weergegeven. Een webdesigner dient voor reguliere websites rekening te houden met deze pluriforme weergave.

    De resolutie is de grootte van het scherm, gemeten in pixels. De resolutie kan per gebruiker variëren. Een grote resolutie biedt vooral meer ruimte in de breedte, de lengte is over het algemeen minder van belang omdat dat wordt opgevangen door scrollen. Een ontwerp dat niet uitgaat van vaste beeldschermafmetingen noemt men wel liquid design, de inhoud "vloeit" hier als het ware in de beschikbare ruimte.
    De kleurendiepte geeft aan hoeveel kleuren het scherm kan weergeven. In het verleden was 256 kleuren gangbaar en moest daar rekening mee worden gehouden. In die tijd zijn de webkleuren ontstaan. Tegenwoordig zijn hoge kleurendiepten echt normaal.
    De kleurweergave kan verschillen per scherm. Op sommige computers is een programma geïnstalleerd dat gammacorrectie uitvoert, waardoor kleuren worden aangepast. Het maakt ook verschil of er een CRT- of TFT-beeldscherm wordt gebruikt.
    De soort asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser is ook van belang. Browsers hebben ieder een eigen interpretatie van de code van een webpagina. Door het W3C zijn standaarden ontwikkeld over hoe de code moet worden geïnterpreteerd. De browsers houden zich daar nog niet altijd volledig aan, vooral Internet Explorer is voor ontwikkelaars vaak een zorgenkind.
    Afgezien van zulke technische weergave elementen, verwachten ook (kleuren)blinde, slechtziende of dove gebruikers dat een website ook voor hen raadpleegbaar is.

    Werkwijze
    De bouw van een website gaat in verschillende stappen. Elke stap kan worden uitgevoerd door een andere, op het betreffende gebied gespecialiseerde persoon. Vaak[bron?] wordt er bij het maken van een nieuwe website eerst een grafische opzet van de gehele webpagina gemaakt in de vorm van een enkel JPEG-bestand. Dit bestand gaat vergezeld van een aantal afzonderlijke plaatjes die gebruikt gaan worden als losse grafische elementen. De tekstuele inhoud krijgt wel een plaats, maar het opstellen van de teksten is een ander proces.

    De grafische opzet wordt vervolgens omgezet in HTML, waarin de bijgeleverde grafische elementen worden gebruikt. Ook op dit moment is de tekstuele inhoud nog bijzaak. Als tekst wordt vaak het Lorem ipsum gebruikt. Op dit moment kan worden getest hoe de code eruitziet in verschillende omstandigheden. Ten slotte wordt de interactiviteit toegevoegd en worden de uiteindelijke teksten in de verschillende pagina's van de website geplaatst. Het is mogelijk dat het om een dynamische website gaat, waar de inhoud met behulp van een CMS aangepast kan worden. De codering van dit server-sidegedeelte valt echter niet onder webdesign.

    Toegankelijkheid
    Met de opkomst van smartphones, PDA's en andere (persoonlijke) apparaten die toegang hebben tot het internet, veranderen ook de eisen die gesteld worden aan een website. Het lijkt niet eenvoudig om bij het ontwerp en de bouw zicht te houden op de uiteenlopende vormen van gebruik die inmiddels mogelijk zijn. Met behulp van de webstandaarden die onder meer door het W3C zijn ontwikkeld, kan er toch voor worden gezorgd dat een site onder al die gebruikersomstandigheden bruikbaar is. Zo is HTML bedoeld om de inhoud van een webpagina van structuur te voorzien, CSS om de (grafische) stijl vast te leggen en de combinatie ECMAScript/DOM om interactiviteit aan een pagina toe te voegen. Een voordeel is dat al die componenten los van elkaar kunnen worden ontwikkeld en beheerd. Sterker nog: als zaken als inhoud, stijl en/of scripting worden gemengd, zal dat onmiddellijk een negatieve invloed hebben op de bruikbaarheid van een webpagina voor andere toepassingen dan een pc-met-beeldscherm-en-Internet-Explorer. Omdat het gebruik van andere browsers, besturingssystemen en webapparaten gestaag toeneemt, wordt het voor webdesigners steeds belangrijker om rekening te houden met dergelijke vormen van gebruik.


  • webdevelopment: Webdevelopment is een verzamelnaam die wordt gebruikt voor alles wat met het realiseren van een website te maken heeft.

    Hieronder wordt verstaan: e-commercebusinessdevelopment, design">webdesign, webcontentdevelopment, client-side/server-side coding, en webserverconfiguratie. Onder webprofessionals wordt met deze term meestal gerefereerd aan het schrijven van back-endcode en eventueel webserverconfiguratie.

    WYSIWYG
    HTML-code wordt gebruikt om een webpagina in te delen en op te maken (positioneren van tekstgedeelten en afbeeldingen, kleuren, lettertypen e.d.). De meeste developers schrijven het liefst de HTML-code zelf. Het voordeel hiervan is, dat je meer controle hebt over het resultaat. Een ervaren programmeur schrijft deze code vrijwel net zo snel als dat een ander de pagina bouwt in een WYSIWYG-editor. Andere programmeurs geven de voorkeur om de code niet zelf te schrijven, maar dit over te laten aan een zgn. WYSIWYG-editor. Hiermee stel je de pagina samen op een manier die te vergelijken is met het maken van een pagina in een tekstverwerker (zoals Open Office of MS Word). De onderliggende code wordt door de applicatie automatisch gegenereerd. Bekende HTML-WYSIWYG-editors zijn FrontPage en Dreamweaver. Een veelgehoorde kritiek op die twee is dat ze onnodig ingewikkeld coderen, wat twee nadelen heeft: de code is nauwelijks leesbaar voor de developer en het heeft aanzienlijk grotere bestanden tot gevolg, wat de download van pagina's aanzienlijk kan vertragen voor bezoekers die geen breedbandinternetverbinding hebben. SeaMonkey Composer daarentegen genereert veel compactere code, die toch goed leesbaar is, en heeft bovendien een aparte tab om die code in te kijken. Voor webdevelopers is het vaak handig om afwisselend de WYSIWYG-versie en de broncodeversie te bekijken, omdat iedere versie zo zijn voor- en nadelen heeft.

    Passieve en actieve websites
    Als je één of meer pagina's hebt met een stuk tekst en eventueel een paar plaatjes, kan je al spreken van een website. Een dergelijke website noem je een passieve website omdat het niets anders doet dan een statische tekst en eventuele plaatjes tonen. Maar zodra je wilt dat een bezoeker zich op je website kan aanmelden (bijvoorbeeld voor een forum), of dat er actuele informatie wordt getoond, is het nodig dat de website haar gegevens kan opslaan in een database. Dan spreek je van een actieve website. De inhoud van de website wordt namelijk actief samengesteld met gegevens uit een database. Om deze handelingen te automatiseren wordt er gebruikgemaakt van scripting: het beschrijven van handelingen die de computer of server moet uitvoeren. Scripting kan je onderverdelen in twee hoofdgroepen: client-side en server-side scripting.

    Client-side scripting
    Een client-side script is een script dat door de browser van de websitebezoeker wordt uitgevoerd. Hiervoor zijn verschillende scripttalen beschikbaar, zoals VBScript en JScript. Meestal werken sites met Javascript, omdat alle browsertypen Javascript ondersteunen. VBScript bijvoorbeeld wordt alleen ondersteund door Microsoft Internet Explorer en niet door Mozilla Firefox.

    Client-side scripting wordt veel gebruikt in combinatie met DHTML (Dynamic HTML). Denk hierbij aan het kopiëren of juist verbergen van een tekstveld als dit nodig is, maar ook het controleren of je in een aanmeldingsformulier alle gegevens hebt ingevuld. Op een goed doordachte website zul je nooit beveiligingskritische functies vinden die door een client-side script moeten worden uitgevoerd.

    Server-side scripting
    Server-side script is een script dat niet door de browser, maar door de webserver wordt uitgevoerd. Deze voert de handelingen uit die in het script zijn beschreven, waaronder bijvoorbeeld het aanroepen van een database, en stelt aan de hand hiervan een HTML-bestand samen. Dit bestand wordt vervolgens naar de client (de browser van de websitebezoeker) gestuurd. De client ziet dus nooit het server-side script. En dat is maar goed ook, omdat dit cruciale informatie kan bevatten, zoals database-wachtwoorden e.d.

    De populairste talen voor server-side scripting zijn: ASP, ASP.NET en PHP. ASP.NET is de opvolger van ASP (Active Server Pages), beide van Microsoft. Hoewel ASP door (vooral kleinere) bedrijven nog veel wordt gebruikt, wint ASP.NET steeds meer aan populariteit. Vooral grotere IT-bedrijven geven de voorkeur aan deze taal, vooral vanwege de object-georiënteerde eigenschappen, die het eenvoudiger maakt om grote complexe systemen te bouwen en te onderhouden. PHP (PHP Hypertext Preprocessor) is het populairst onder amateurs en kleinere webbedrijven. Dit komt vooral omdat de taal redelijk eenvoudig van structuur is en daardoor vrij snel te leren is. Andere voordelen van PHP zijn, dat het door de manier waarop het script wordt uitgevoerd, deze websites erg snel laden. Ook zijn de investeringskosten laag omdat PHP een opensourceproject is en daarom gratis gebruikt mag worden. PHP kan zeer goed draaien op een PC of server onder Windows, maar is eigenlijk bedoeld om te worden gebruikt in een LAMP-configuratie. Dat is de combinatie van vier opensourceprojecten: een Linuxbesturingssysteem met een Apache-webserver, een MySQL-database en PHP-scriptondersteuning.

    Naast de genoemde scripttalen zijn er ook nog minder gebruikte talen zoals: Perl, ColdFusion, Python, Ruby en andere.

    Contentmanagementsystemen
    De laatste jaren worden kant en klare contentmanagementsystemen steeds populairder. Naast verschillende commerciële systemen, zijn er verschillende opensource-systemen beschikbaar zoals XOOPS, Joomla!, WordPress en Drupal. Hiermee is het mogelijk om een actieve website te bouwen zonder één regel script te hoeven schrijven. In deze systemen kan je aan de hand van kant en klare templates en allerlei vooraf in te vullen instellingen een complete website configureren. Wel vergt het flink wat tijd en energie om thuis te raken in zo'n systeem.


  • web-eye: Web-Eye is een webmodule gebaseerd op een CMS-systeem die een volledig vrije opmaak van een website naar uw wensen toelaat, eigenlijk een softwarepakket waarvoor u enkel uw asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser nodig hebt. De initiële opmaak gebeurt door ons design">webdesign-team.
    1.Omschrijven van het doel van de site.
    2.Opstellen van een planning
    3.Indeling bepalen
    4.Lay-out bepalen
    5.Grafische en technische uitwerking / website ontwerp
    6.Optimaliseren van de inhoudelijke invulling
    7.Opzetten van een testplatform
    8.Lancering van de site

    Verder onderhoud en opvolging kan volledig door u gebeuren.

    Heel belangrijk is dat bij het opbouwen van de site veel aandacht wordt besteed aan juiste en gestructureerde informatie. De info mag niet te lang zijn, moet goed gestructureerd zijn en onmiddelijk verstaanbaar. De klant moet goed zijn weg vinden op uw site en op een korte maar krachtige manier de basisinformatie krijgen. Het moet ook boeiend zijn, zo houdt u iemand op je site.


  • webfeed: Een webfeed is een alternatieve, versimpelde weergave van online inhoud. Het is de meest gebruikte vorm van websyndicatie.

    Een site plaatst zijn inhoud, vaak in een verkorte of beschrijvende versie, in een online bestand: de feed. Veel sites kiezen ervoor om alleen nieuwskoppen, met een korte beschrijving erbij, in hun feed te zetten. Met behulp van een feedreader kun je de feed vervolgens lezen. Door meerdere webfeeds, van verschillende aanbieders, te verzamelen, kun je bijvoorbeeld in één oogopslag al het nieuws én alle nieuwe weblog-berichten overzien. De feedreader werkt de feeds op periodieke basis bij, bij een nieuw item wordt de gebruiker meestal met een melding op de hoogte gebracht. Vaak hebben sites meerdere feed-kanalen, bijvoorbeeld één voor het algemene nieuws, en een feed voor sportnieuws. Verschillende sites bieden nog een verdere specificatie van de feed-inhoud, bijvoorbeeld met behulp van één of meer trefwoorden.

    Er zijn twee open standaarden voor feeds: RSS en Atom. Deze XML-formaten bepalen de opbouw van het feed-bestand. Dit is voor de eindgebruiker van weinig belang, aangezien de feedreader het bestand leesbaar maakt en nagenoeg alle feedreaders met beide formaten overweg kunnen


  • webhosting: Webhosting is een dienst die aan particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website. Om snelheid en veiligheid te garanderen en ervoor zorg te dragen dat een webpagina of een website altijd beschikbaar is, worden deze opgeslagen bij een zogenaamd hostingbedrijf of een webhost.
    * Gratis hosting: meestal hostingruimte/webruimte met beperkte mogelijkheden. Het draaien van scripts (bijvoorbeeld ASP) en het voeren van een eigen domeinnaam is vaak niet mogelijk. Schijfruimte en bandbreedte zijn meestal ook beperkt. Soms voegt de hostingfirma reclameboodschappen toe aan elke pagina.
    * Shared hosting: hierbij worden meerdere (honderden) websites op dezelfde server of webserver geplaatst. Hierdoor is het mogelijk dat de ene website de andere doet vertragen of zelfs crashen.
    * Reseller hosting: bestemd voor wie zelf een webhost wil worden. Voorziet in een hoge schijfruimte en bandbreedte die kan verdeeld worden over alle sites die de gebruiker er wil op plaatsen. Te vergelijken met shared hosting, maar u heeft meer vrijheid en u kunt zelf web hosting verkopen.
    * Virtual Private Server (VPS) hosting: hiermee kan één fysieke server meerdere virtuele servers huisvesten. Elke klant heeft dan adminstrator of root-rechten om de server te configureren en gebruikers rechten toe te kennen. De klant kan een VPS ook voor andere toepassingen dan websites gebruiken. Als een virtuele server crasht, dan hebben de andere klanten daar geen last van. Processorcapaciteit en bandbreedte naar de harde schijf worden wel gedeeld door de klanten.
    * Dedicated hosting: de klant krijgt werkelijk een eigen dedicated server (machine). Wel heeft deze zich te houden aan datalimiet en hardeschrijf ruimte.
    * Co-Located hosting: de klant plaatst een eigen server in de ruimte van de colocatieprovider. Het is vereist om een "19" rack mountable"-server te plaatsen van 1, 2 of 4U (Units). Ook hier heeft de klant rekening te houden met datalimiet, maar hardeschrijven kunnen naar gewenste hoeveelheid worden geplaatst of vervangen door grotere.
    * Cloud hosting: een nieuwe vorm van hosting op geclusterde (aan elkaar gekoppelde) servers waardoor een grote schaalbaarheid ontstaat. De voordelen zijn betere beschikbaarheid, grotere betrouwbaarheid en hogere snelheid.


  • weblog: Een weblog, ook wel blog genoemd, is een website waarop regelmatig - soms meerdere keren per dag - nieuwe bijdragen verschijnen en waarop de geboden informatie in omgekeerd chronologische volgorde (het nieuwste bericht verschijnt als eerst) wordt weergegeven. Wie een weblog bezoekt, treft dan ook op de voorpagina de recentste bijdrage(n) aan. De auteur, ook wel blogger genoemd, biedt in feite een logboek van informatie die hij wil delen met zijn publiek, de bezoekers van zijn weblog. Meestal gaat het dan om tekst, maar het kan ook om foto's (een fotoblog), video (vlog) of audio (podcast) gaan. Weblogs bieden hun lezers ook veelal de mogelijkheid om - al dan niet anoniem - reacties onder de berichten te plaatsen of een reactie via een Trackback-mechanisme achter te laten.

    Het is het persoonlijke of juist het gespecialiseerde karakter dat weblogs interessant maakt voor bezoekers.

    Sinds eind 2006 is microbloggen populair, een combinatie tussen bloggen en instant messaging. De bekendste site hiervoor is Twitter. Er bestaan klonen van, zoals Jaiku.


  • webpagina: Een webpagina is een pagina op het World Wide Web, onderdeel van een internet site. Webpagina's bestaan uit HTML- of XHTML-code en zijn bedoeld om met een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser bekeken te worden. De browser zet de broncode om naar een leesbare pagina. Door hypertekst links in de HTML-code kan eenvoudig van de ene pagina naar de andere worden genavigeerd, een bezigheid die ook wel surfen op het internet wordt genoemd.

    Van tekst naar applicatie
    De mogelijkheden die in webpagina's kunnen worden ondergebracht, zijn in de loop der jaren aanzienlijk uitgebreid. In de begintijd van het World Wide Web was het al mogelijk om plaatjes in tekst aan te brengen. Latere ontwikkelingen hebben het mogelijk gemaakt dat ook multimedia-inhoud en interactieve elementen konden worden ingebouwd. Het is inmiddels mogelijk om volledige applicaties in een enkele webpagina onder te brengen, bijvoorbeeld door het gebruik van HTML-scripting of Macromedia Flash. Gedurende deze ontwikkeling is de definitie van HTML regelmatig aangepast en zijn de capaciteiten van de browsers voortdurend toegenomen. Deze ontwikkeling gaat nog steeds door.

    Webpagina en URL
    Elke webpagina heeft in principe een eigen uniek adres in de vorm van een URL. Daar zijn echter uitzonderingen op, sommige webpagina's worden dynamisch gegenereerd door een programma of script (zie ook server-side scripting), waardoor dezelfde URL een andere pagina kan tonen op basis van acties van de gebruiker of andere variabele factoren (soort browser, cookies, tijd etc). Het bestaan van frames is ook verwarrend voor de één-op-één relatie tussen een webpagina en een URL. Frames maken het namelijk mogelijk dat binnen een webpagina (met een URL) meerdere andere webpagina's (met ieder een eigen URL) kunnen worden ondergebracht.

    Website
    Een website bestaat uit een aantal samenhangende webpagina's op hetzelfde domein. De beginpagina van een website wordt de hoofdpagina of homepage genoemd.


  • webshop: Een webwinkel (e-shop, internetwinkel of online shop) is een online etalage waarbij diensten en producten kunnen worden aangeschaft via het internet.

    Kosten
    Vaak zijn de producten van een webwinkel voordeliger dan bij een reguliere winkel. De redenen hiervoor zijn:
    - Minder personeel nodig
    - Geen fysieke winkel nodig
    - Geautomatiseerde betalingen
    - Rechtstreekse levering door toeleveranciers (zogenaamde drop-shipments)
    - Hoge automatiseringsgraad

    Betrouwbaarheid
    Bij een webwinkel is de betrouwbaarheid niet eenvoudig te controleren, er is geen direct contact met de verkoper(s). Het kan daarom erg belangrijk zijn om de webwinkel even te bellen, na te gaan of er een fysieke aanwezigheid is (bijv. afhaalpunten), te letten op keurmerken van brancheorganisaties, certificatie door fabrikanten, ervaringen van andere shoppers, en natuurlijk Kamer van Koophandel-gegevens. Bedrijven zijn jaarlijks verplicht hun jaarcijfers te deponeren. Het is niet verstandig om bij een onbekend en verliesgevend bedrijf te kopen, hoe groot dit bedrijf ook is.


    Kooporiëntatie
    NIPO-Onderzoek heeft uitgewezen dat in Nederland sinds 2002 het internet het belangrijkste kooporiëntatiemedium is geworden, zelfs belangrijker dan de traditionele papieren catalogus. Sindsdien is het belang van internet alleen maar gegroeid. Webwinkels worden in hoge mate voor kooporiëntatie gebruikt, waarbij de koop niet per se online hoeft plaats te vinden. Daarbij groeit volgens de branche-organisatie Thuiswinkel.org het online webwinkelen ook nog steeds fors, zij het dat de groei wat afvlakt. Een zeer belangrijke ontwikkeling is dat steeds meer fabrikanten het webwinkelen omarmen, en inzien dat hun klanten vooral online -ook in webwinkels- zich oriënteren op hun producten. Vandaar ook ontwikkelingen richting een open catalogus.

    Belemmeringen bij webwinkelen zijn:
    - Sommige producten lenen zich minder voor verkoop-op-afstand zoals kleding of voedsel
    - Niet alle webwinkels zijn betrouwbaar gebleken.
    - Niet alle webwinkels bieden een boter-bij-de-vis betaalmogelijkheid (rembours, betalen-bij-afhalen)
    - Thuis moeten blijven voor in ontvangst nemen goederen
    - Trage uitlevering
    - Onvolledige productinformatie en beperkt advies

    Zoekmachines
    Er zijn veel webwinkels die aangesloten zijn bij een productenzoekmachine of productvergelijker. Hiermee krijgt men eenvoudig een overzicht welk product waar het goedkoopst is.

    Betalen
    Betalen van producten bij een webwinkel kan meestal met een credit card. In België is iDEAL een populaire online betalingsmethode van webwinkels.

    Rechten
    Op aankopen die via een webwinkel verricht worden is een zichttermijn (bedenktijd) van toepassing. Deze bedenktijd geldt enkel voor consumenten.

    Creatief gebruikt hiervoor meestal de eigen ontwikkelde Shop-Eye module.


  • website: Een professionele website op maat, webstek of web site (afgeleid van het woord wereldwijde web) is een verzameling samenhangende webpagina's met mogelijk andere data, zoals afbeeldingen en video's, die gehost worden op een of meerdere webservers en meestal toegankelijk zijn via het Internet.

    Een webpagina is een document, typisch geschreven in (X)HTML dat vrijwel altijd beschikbaar is via HTTP, een protocol waarmee een webserver communiceert met een client (meestal de asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser van een gebruiker).

    Een asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser vertaalt het HTTP bericht in bruikbare informatie voor de gebruiker zoals het tonen van een webpagina.

    Alle publiek toegankelijke websites worden over het algemeen collectief benoemd als het "wereldwijde web" wat weer een deel van een bepaalde laag van het Internet vormt.

    Een kern eigenschap van het wereldwijde web vormt de hyperlink, een deel van het concept Hypertext, hiermee kan een gebruiker direct naar een specifieke tekst of ander digitale entiteit doorspringen.

    De webpagina's van een website zijn meestal toegankelijk via een specifieke node (URI). Vaak wordt deze specifieke startnode de homepage genoemd. De URI's van de webpagina's zijn meestal georganizeerd in een hierarchy. De hyperlinks tussen de webpagina's geven echter per gebruiker een andere representatie van de betreffende website.

    Belangrijke standaarden rondom het wereldwijde web worden onder andere beheerd en uitgebreid door voorstellen door het World Wide Web Consortium, beter bekend als het W3C. De directeur van het W3C is Tim Berners-Lee, die in 1991 HTML voorstelde, als subset van het complexere SGML als vervolg op de hypertext achtige implementatie Gopher (het WWW is daarmee nog steeds geen hypertext systeem). Naast verschillende andere initatieven bleek HTML uiteindelijk het succesvolst.


  • webzine: Een webzine is een tijdschrift gepubliceerd op het World Wide Web. Sinds de introductie van het weblog, en zeker het gemeenschappelijk weblog, is de grens tussen webzine en weblog enigszins vervaagd.


  • www: Het WWW is ontwikkeld vanaf 1991 door de Engelse softwareontwikkelaar Tim Berners-Lee en diens projectmanager de Belg Robert Cailliau, die toen werkzaam waren op CERN, het Europese instituut voor kernfysica in Genève. Doel van het WWW was om de informatieuitwisseling te vergemakkelijken tussen de wetenschappers die samenwerken in de veelal internationale projecten van CERN. Het doel was om een wiki-achtige omgeving op te zetten waarin projectdocumentatie en andere informatie wordt aangemaakt en bijgehouden in een gemeenschappelijk gemaakte hypertext die direct over het internet te bekijken en te wijzigen is. Aangenomen mocht worden dat elke deelnemer een computer met internetverbinding had, maar niet mocht worden aangenomen dat elke deelnemer ook hetzelfde soort computer met dezelfde soort grafische mogelijkheden en hetzelfde operating system had; vandaar dat het WWW van meet af aan platformonafhankelijk is geweest.

    WorldWideWeb was de naam voor zowel het project als de software die ervoor geschreven werd. De software werd door Berners-Lee ontwikkeld op de NeXT in Objective C. Daarna werd de code vertaald naar C zodat ook voor andere platforms WWW-software geschreven kon worden. Het NCSA maakte op basis van deze code in 1992 de grafische asp?zoekwoord=webbrowser">webbrowser Mosaic, die de doorbraak voor het WWW betekende, en ook een eigen webserver, en voerde tal van innovaties door. Binnen een jaar steeg het aantal webservers van een handjevol naar duizenden en werd het WWW een standaardvoorziening die even belangrijk was als e-mail. Zowel de code van CERN als die van NCSA waren open source, waardoor het ook voor derden (zoals Microsoft) relatief gemakkelijk was om WWW-software te ontwikkelen.


top ^

X


  • xhtml: XHTML (Extensible Hypertext Markup Language) is een computertaal voor vooral websites, die de functionaliteit heeft van HTML, maar een striktere syntaxis. Dit omdat HTML gebaseerd is op het flexibele SGML, waar XHTML gebaseerd is op XML, een striktere subset van SGML. Door de striktere syntaxis van XML-documenten kunnen deze makkelijker verwerkt worden door een XML-parser, terwijl SGML-documenten een veel complexere parser nodig hebben. XHTML 1.0 is een W3C-standaard geworden op 26 januari 2000.

    XHTML biedt, mits goed gebruikt, enkele voordelen boven HTML. Doordat XML-documenten well-formed moeten zijn, kunnen ze makkelijker geïnterpreteerd worden door User Agents, een correcte XML-parser moet namelijk een fatale error geven als een XML-document niet volledig correct is, terwijl bij SGML-parsers complexe error-correcties worden gedaan. Doordat voor het verwerken van XHTML minder rekenkracht nodig is kan deze ook beter verwerkt worden door User Agents met minder rekenkracht, zoals mobiele telefoons en PDA's.

    Door de modularisatie van XHTML kan XHTML makkelijk uitgebreid worden met nieuwe elementen en attributen. Ook worden hiermee de compatibiliteitsproblemen opgelost die ontstonden door onofficiële uitbreidingen van de HTML-standaard die niet door alle browsers werden ondersteund.

    In XHTML kunnen verschillende XML-namespaces gebruikt worden, zo kunnen MathML en Scalable Vector Graphics in een XHTML-document verweven worden.


  • xml: eXtensible Markup Language (XML) is een standaard voor het definiëren van formele markup-talen voor de representatie van gestructureerde gegevens in de vorm van platte tekst. Deze representatie is zowel machineleesbaar als leesbaar voor de mens.

    Met andere woorden: XML is een bepaalde manier om gegevens gestructureerd vast te leggen. Deze manier is gedefinieerd en mag door iedereen gebruikt worden. Het is ontworpen om zowel door een programma als door een mens leesbaar te zijn. XML is niet alleen geschikt om gegevens in op te slaan maar wordt veel gebruikt om gegevens via het internet te versturen. De AJAX-methodiek maakt van XML gebruik.

    XML is een vereenvoudigde vorm van SGML, Standard Generalized Markup Language, een heel complexe standaard om de structuur van documenten vast te leggen.

    Een eerdere code die is afgeleid van SGML is HTML HyperText Markup Language. HTML heeft voor een doorbraak in SGML-achtig vormgegeven tekst gezorgd, maar gegevens die op een HTML-pagina staan zijn voor computers niet als zodanig te herkennen.


top ^

Z


  • zeefdruk: De zeefdruk is eigenlijk niets anders dan een verbeterde sjabloontechniek zoals reeds eeuwen geleden werd toegepast in China en Japan en bij ons ook wordt toegepast door huisschilders die regelmatig wederkerende motieven moeten schilderen. De zeefdruk werd in Europa bekend omstreeks 1930.

    De drukvorm bij de zeefdruk bestaat uit een fijn nylon of polyester (vroeger: zijde) gaas, waarop een sjabloon is gehecht, dat gespannen is op een raam. Naar dit gaas wordt deze drukmethode ook silkscreenprinting (letterlijk: 'zijdezeefdrukken') genoemd. Een andere naam voor een artistieke zeefdruk is serigrafie. De mazen in het gaas die niet door het sjabloon zijn afgedekt, laten de inkt door. Het te bedrukken materiaal wordt onder het raam gelegd en de inkt door middel van een rubberen rakel over het gaas gestreken. De inkt wordt door middel van de rakel door de open mazen van het gaas op het te bedrukken materiaal geperst, waardoor de afbeelding tot stand komt.


  • zoekmachine: Een zoekmachine (Engels: search engine) is een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie; dit kan een bibliotheek, het internet, of een persoonlijke verzameling zijn. Zonder nadere aanduiding bedoelt men tegenwoordig meestal een webdienst waarmee met behulp van vrije trefwoorden volledige tekst (full text) kan worden gezocht in het gehele World Wide Web.

    In tegenstelling tot startpagina's of webgidsen is er geen of zeer weinig menselijke tussenkomst nodig; het bezoeken van de webpagina's en het sorteren van de rangschikkingen (ranking) gebeurt met behulp van een algoritme.

    Google is in de Benelux de meest gebruikte zoekmachine, in andere landen zijn ook Yahoo!, Bing en Baidu populaire zoekmachines.


top ^