Verklarende woordenlijst met vakjargon

Hieronder vindt u een lijst met vaktermen die vaak door ons gebruikt worden.

Gezien we over een uitgebreide woordenlijst beschikken kan u gebruik maken van onze handige zoekfunctie:

Resultaten voor 'CC'
.com is een generiek topleveldomein gebruikt bij het Internet Domain Name System. Het was een van de eerste TLD's en is uitgegroeid tot de meest gebruikte. Het wordt momenteel onderhouden door VeriSign. Het eerste .com internetadres werd geregistreerd op 15 maart 1985 door Symbolics, een computerbedrijf uit Cambridge.[1] Het wordt uitgesproken als dot-com en is zo in de Engelse taal gekomen. Dit wordt ook met andere TLD's gedaan zoals "dot-net' (.net), "dot-info" (.info), enz. Ze zijn niet zo populair geworden om in de taal te komen als .com, maar worden wel vaak zo uitgesproken in radiocommercials bijvoorbeeld. Topleveldomeinen die geen uitspreekbare woorden vormen, waaronder de meeste landcodes als bijvoorbeeld .uk, .ca, of .au, alsmede "dot-ee-dee-joe" (.edu) worden doorgaans gewoon gespeld.

Alhoewel .com-domeinen altijd bedoeld zijn geweest voor commercieel gebruik, kan iedereen ze registreren. In de jaren '90 werd .com het meest algemene top-level domain voor website, vooral commerciële. De introductie van .biz, dat voor bedrijven is gemaakt, heeft weinig impact gehad op de populariteit van .com.

Een alternatief gebruik van de frase dot-com is dat bedrijven het gebruiken in hun naam. Voorbeelden zijn Amazon.com, eBay en Google. Er zijn ook bedrijven, en vooral organisaties die de extensie .org achter hun naam zetten zoals OpenOffice.org, maar dit is nooit zo populair geworden als .com.

Iedereen kan een .com-domein registreren, maar ook landen (uitgezonderd de Verenigde Staten die domeinen gebruikt als .edu, .gov en .mil) gebruiken tweede-level-domeinen voor hun landcode-TLD. Deze hebben vaak de vorm van .com.xx of .co.xx, waarbij xx het landcode-TLD is. Voorbeelden zijn Australë (.com.au), het Verenigd Koninkrijk (.co.uk), Mexico (.com.mx), Nieuw-Zeeland (.co.nz), de Volksrepubliek China (.com.cn), Japan (.co.jp), Zuid-Korea (.co.kr), Polen (com.pl) en India (.co.in).

Vaak registreren noncommerciële sites van non-profitorganisaties, regeringen enz. een .com-domein, waardoor het domein niet meer z'n oorspronkelijke doel heeft. Een .org- of .gov-domein past beter bij het doel van dat soort website. Ook registreren sites vaak .com-domein als reserve en preventie tegen scams.

Registraties verlopen via aangewezen ambtenaren en geïnternationaliseerde domeinnamen worden ook geaccepteerd.

BCC betekent Blind Carbon Copy of Blind Copy Conform en wordt met name in e-mail gebruikt om een kopie van een bericht te versturen naar iemand, zonder dat de eigenlijke geadresseerde dit kan zien.

Onder beeldmanipulatie wordt verstaan het aanbrengen van veranderingen in een afbeelding. Beeldmanipulatie is strikt genomen hetzelfde als beeldbewerking. Het woord beeldmanipulatie wordt echter meer gebruikt in de zin van het wijzigen, verwijderen of toevoegen van afzonderlijke beeldelementen in een bepaalde afbeelding.

Beeldmanipulatie is strikt genomen hetzelfde als beeldbewerking. Het woord beeldmanipulatie wordt echter meer gebruikt in de zin van het wijzigen, verwijderen of toevoegen van afzonderlijke beeldelementen in een bepaalde afbeelding.

Beeldmanipulatie is niet iets van deze tijd. Vroeger werden bijvoorbeeld tot persona non grata verklaarde hooggeplaatste personen weggeretoucheerd van officiële foto's. Ook in oorlogspropaganda werd hier wel gebruik van gemaakt.

De Sovjetdictator Jozef Stalin liet in ongenade gevallen personen en politieke vijanden, zoals Trotski en Jezjov, van officiële foto's verwijderen. Ook liet hij op zijn eigen foto de littekens van pokken wegwerken.

Beeldmanipulatie is tegenwoordig een stuk eenvoudiger door gebruik te maken van gespecialiseerde programma's als Adobe Photoshop of Paint Shop Pro. Het manipuleren van beelden wordt soms "Photoshoppen" genoemd (in het Nederlands ook wel "fotoshoppen" genoemd, of verbasterd tot "fotosoepen" of "soepen"), naar het programma Photoshop. Adobe is er op tegen dat de merk Photoshop als werkwoord wordt gebruikt, maar heeft nog weinig succes om dat terug te dringen
E-mail (ook wel email, e-post of elektronische post) is het versturen van digitale boodschappen via onder andere internet. De eerste e-mail over een computernetwerk werd in 1971 door Ray Tomlinson verzonden. Rond 1995 werd het populair bij het grote publiek, samen met het wereldwijde web.

E-mail wordt vaak gebruikt voor korte, informele berichten. In tegenstelling tot een brief op papier wordt het bij e-mail geaCC om korte en compacte zinnen te gebruiken. Door het meesturen van bijlage (attachments, mogelijk sinds de Multipurpose Internet Mail Extensions, MIME, zijn ingevoerd) is het ook mogelijk om inhoud in een andere vorm dan tekst te versturen.

Recentelijk heeft communicatie per e-mail dezelfde wettelijke status gekregen als die per brief. De mailtjes moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De authenticiteit moet zijn gewaarborgd, er moet zekerheid bestaan over de afzender, en er moet niet achteraf aan kunnen worden geknoeid. De zogenaamde "elektronische handtekening" biedt hier uitkomst. De voordelen van een dergelijk gebruik van e-mail ten opzichte van andere vormen van communicatie zijn:
- Snellere communicatie;
- Sneller tot een contract kunnen komen;
- Besparing van (verzend)kosten;
- Men hoeft niet meer in persoon bij de ander langs.

E-mail waaraan de ontvanger weinig waarde toeschrijft wordt junkmail genoemd. Een vorm van junkmail is spam, e-mail die ongevraagd aan een groot aantal ontvangers wordt verstuurd. Een e-zine is een tijdschrift dat via e-mail wordt verzonden. Een variant hierop is de e-mail-nieuwsbrief.

Voorgangers van e-mail zijn de brief, het telegram, de telex, de telefax en binnen Nederland het op Datanet gebaseerde Memocom 400 dat echter nooit suCC werd. Wellicht wordt e-mail op termijn opgevolgd door mobiele communicatie, zoals de SMS. In de context van e-mail wordt de veel tragere briefpost vaak snail mail genoemd.

E-mail is tegenwoordig vooral alleen toegankelijk via het Internet-netwerk, maar e-mail kan ook buiten het Internet-netwerk om toegankelijk zijn omdat de oorspronkelijke e-mail niet netwerkafhankelijk is.

Routering en infrastructuur
Over het algemeen wordt een e-mail niet direct naar de ontvanger gestuurd, maar verloopt de verzending via een of meer tussenschakels. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een aantal andere internetdiensten, met name DNS. Een e-mail-gebruiker gebruikt een bepaald e-mail-aCC, bijvoorbeeld bij een Internet Service Provider of een andere aanbieder van e-mail-diensten zoals Gmail, Yahoo!, Hotmail of Windows Live Mail.

Aan een e-mail-aCC is een e-mailadres gekoppeld. Dit adres is opgebouwd uit een aantal delen: een gebruikersnaam, het @-teken, server- of ISP-naam, en het top-level domain, bijvoorbeeld .be.

Voorbeeld: info@creatief.be

Hier is:
- info" de gebruikersnaam
- "creatief" de domeinnaam (kan de ISP-naam zijn)
- ".be" de top-level-domain aanduiding
De gebruiker schrijft de e-mail met behulp van een e-mailclient. Dit programma verstuurt de e-mail vervolgens naar de mailserver waarop het mailaCC bekend is. Als de e-mail gericht is aan een e-mailadres dat niet door deze mailserver wordt beheerd, wordt via DNS het adres van een mailserver gezocht die dat wel doet. De mailserver zal de e-mail dan doorsturen naar deze mailserver. Deze stap kan meerdere malen worden uitgevoerd. Vaak voorkomende begrippen in e-mailprogramma's zijn 'CC' en 'CC'>BCC', die meestal onder het vak van de geadresseerde staat bij het schrijven van een e-mail. Deze termen staan voor 'Carbon Copy' respectievelijk 'Blind Carbon Copy'. Dit wil zeggen dat er een kopie van de e-mail aan een andere persoon wordt gestuurd. Bij CC'>BCC wordt deze kopie verstuurd zonder dat de originele ontvanger dit kan zien bij de geadresseerden.

Adressering
Meestal begint een bericht zijn reis doordat het met SMTP aan een SMTP-server wordt verstuurd. Meestal is dat de SMTP-server van de eigen provider, maar het is soms ook mogelijk het bericht naar de SMTP-server van de ontvanger te sturen. Andere SMTP-servers zullen het bericht meestal[bron?] weigeren.

Verzenden met SMTP
Het bericht bestaat in SMTP uit de volgende delen:
- EHLO (verouderd: HELO)
- MAIL FROM: adres van afzender
- RCPT TO: adres van ontvanger
- DATA
- From: adres van afzender
- To: adres van ontvanger
- Subject: onderwerp
- (lege regel)
- tekst van bericht
- . (een regel met alleen een punt geeft het einde aan)

+ De regels 2 en 3 vormen de envelop en zijn vergeljkbaar met de envelop van een papieren brief. Deze gegevens worden gebruikt bij de verzending en eventueel om een bericht naar de afzender te sturen als er een probleem ontstaat.
+ De regels 5, 6 en 7 vormen de header. Deze gegevens zijn vergelijkbaar met het briefhoofd van een papieren brief. Terwijl het bericht met SMTP van server naar server wordt doorgegeven, worden er steeds gegevens aan de header toegevoegd, zodat de routering van het bericht kan worden nagegaan. Deze gegevens worden onderweg niet gelezen en het is dus heel goed mogelijk dat regel 5 en 6 onjuiste adressen bevatten. Ook bij een papieren brief let de post niet op het briefhoofd maar alleen op de envelop.
+ Na de header komt een lege regel en daarna komt de body.

Een bericht kan naar meerdere adressen worden gestuurd door regel 3 te herhalen. Een e-mailcliënt zal dan ook de hele lijst (tot veler ergernis) in regel 6 zetten. Gebruikt men CC'>BCC, dan wordt dat adres wel in regel 3, maar niet in regel 6 gezet, maar die wordt bij de routering immers genegeerd.

Ontvangen met POP3
De uiteindelijke bestemming is meestal een particuliere computer die niet altijd met het internet verbonden is. Daardoor is het niet praktisch het bericht met SMTP naar de bestemming te leiden. Meestal eindigt het bericht dan ook bij de POP3-server van de geadresseerde. De geadresseerde kan het bericht daar ophalen. Daarbij gaat de envelop verloren.

De e-mailcliënt scheidt meestal header en body van elkaar. De body wordt in het berichtvenster getoond, en de relevante gegevens uit de header (verzender, ontvanger, onderwerp) in aparte velden. Wordt het bericht beantwoord, dan wordt er gebruik gemaakt van de regel Reply-to in de header, als die aanwezig is.

Soms worden afbeeldingen in een e-mail niet meegestuurd maar worden ze bij het weergeven ingevoegd van het web. In dat geval moet men niet alleen bij het ophalen van de e-mail maar ook bij het lezen verbinding hebben met internet.

Doorsturen
Soms komt het voor dat een SMTP-server is ingesteld om een bericht naar een ander adres door te sturen. Deze server verandert dan het RCPT TO-adres in de envelop en stuurt het bericht verder.

Onzichtbare adressen
Er wordt op gewezen dat de ontvanger, nadat hij een bericht met POP3 heeft ontvangen, in principe niet kan zien wie de verzender is en ook niet aan welk adres het bericht verstuurd was. Deze gegevens stonden namelijk in de envelop en die werd bij POP3 verwijderd. Verder werd het bericht wellicht doorgestuurd (zie vorige paragraaf) waarbij het RCPT TO-adres veranderd werd. Bovendien kan het MAIL FROM-adres onjuist zijn. De ontvanger ziet alleen From en To, maar deze gegevens kunnen door de verzender geheel willekeurig worden ingevuld.

Soms echter zet de server ook nog een extra regel in de header waaraan de ontvanger kan zien welke adressen er oorspronkelijk op de envelop stonden.

Vergelijking met papieren post
De verzender schrijft op een vel papier de gegevens van afzender en geadresseerde (de header) en een bericht (de body). Hij doet de brief in een envelop en schrijft daarop ook de gegevens van afzender en geadresseerde.

De post verstuurt de brief aan de hand van de gegevens op de envelop. Bij elk postkantoor wordt de brief geopend om een poststempel op de brief (niet op de envelop) te zetten.

Moet de brief worden doorgestuurd, dan wordt de envelop vervangen.

Bij aflevering wordt de envelop verwijderd. Alleen de brief wordt bezorgd.

Misbruik
Door de vatbaarheid van met name de e-mailcliënt Outlook Express is de verspreiding van virussen en wormen via e-mail een zeer groot probleem geworden. Voordat e-mail op grote schaal gebruikt werd, werden virussen vooral verspreid via diskettes.

Ook het versturen van grote hoeveelheden spam is een groot probleem. De hoeveelheid spam die verstuurd wordt is dermate groot dat de hoeveelheid e-mails met virussen, wormen of spam meer dan negen maal groter is dan de hoeveelheid reguliere e-mails.

Een andere vorm van misbruik wordt phishing genoemd. Bij phishing wordt onder valse voorwendselen een ongevraagde e-mail verstuurd, waarbij de ontvanger gevraagd wordt om bepaalde informatie, zoals een wachtwoord of een pincode. Meestal is phishing gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot credit cards of elektronisch bankieren.

Het grote probleem met het fenomeen e-mail is dat het protocol dat wordt gebruikt om e-mails te versturen, SMTP, ontworpen is zonder authenticatielaag. Dit was in eerste instantie misschien niet technisch mogelijk of omslachtig en stond de eigen uitbreiding in de weg, maar is in deze tijd uitermate lastig.

Door dit hiaat kan eender wie een e-mail sturen met als afzendadres niet zijn eigen e-mailadres. Hierdoor krijgen internet gebruikers e-mails in hun postvak die zich voordoen als belangrijke berichten en de gebruiker oproepen actie te ondernemen waardoor ze persoonlijke gegevens zouden meedelen via een getruukeerde website (phishing).

Enkel door de 'header' van de e-mail (een stukje informatie dat de route bevat) te gaan uitpluizen zou men kunnen uitzoeken vanwaar een e-mail daadwerkelijk zou zijn gestuurd, maar dit kan maar tot op een zeker punt, want het dynamisch IP-concept gooit roet in het eten. Doordat iedereen op specifieke momenten een ander IP-adres krijgt van zijn ISP, wordt het traceren van e-mail heel hard bemoeilijkt.

Om misbruik via e-mail te voorkomen (zoals spam) worden ook wegwerp-e-mailadressen gebruikt.

Nevenwerking van e-mailverkeer
Onderzoek wees uit dat e-mailverkeer op de werkplek persoonlijk contact tussen collega's onder druk zet en zorgt voor een minder prettige werksfeer. De helft van de collega's mailt of belt elkaar terwijl men net zo makkelijk even langs kan lopen.
e-mail is een vorm van direct marketing die e-mail gebruikt om commerciële of fondsenwervende boodschappen naar een doelgroep te sturen.

In de breedste zin kan elke e-mail die is gestuurd naar een potentiële of huidige klant worden beschouwd als e-mail, maar deze term wordt normaal gebruikt om te verwijzen naar:
- Het sturen van e-mail met als doel het verbeteren van de relatie van een onderneming met zijn huidige of oude klanten en om klantloyaliteit en herhaal aankopen te vergroten.
- Het sturen van e-mail met als doel om nieuwe klanten te werven of om oude klanten te overtuigen iets onmiddellijk te kopen.
- Toevoegen van reclame in e-mail die door andere bedrijven naar hun klanten worden gestuurd.

De voordelen van e-mail marketing zijn:
- Het is extreem goedkoop. Vergeleken met direct mail of gedrukte nieuwsbrieven zijn de kosten te verwaarlozen, want de adverteerder hoeft niet te betalen voor product, papier, druk of verzending.
- Het is onmiddellijk van aard. In tegenstelling tot een per brief verzonden advertentie, komt een e-mail aan in een paar seconden of minuten.
- Het laat de adverteerder zijn boodschap naar zijn doelgroep toe “duwen”, in tegenstelling tot een website die op klanten wacht om er binnen te komen.
- Het is gemakkelijk om te traceren. Een adverteerder kan geweigerde mails traceren, positieve of negatieve respons, door-clicks en groei in omzet.
- Het is succesvol gebleken als het goed is uitgevoerd.
- Het eerste wat de meeste mensen doen als ze hun computer aan doen, is hun e-mail checken.
- Bepaalde typen interactie met boodschappen kunnen zorgen dat andere boodschappen automatisch worden bezorgd.
HyperText Markup Language (afgekort HTML) is een computertaal (meer specifiek, een opmaaktaal) voor de specificatie van documenten op het World Wide Web.

Daarnaast is HTML een opmaaktaal zoals vele andere, met notaties voor het aangeven van nadruk in tekst, van kopjes, van indeling in paragrafen, van tabellen, en van plaatjes en multimedia (die echter zelf niet in HTML worden gespecificeerd).

HTML bestaat uit platte tekst waarin met markeringstekens is aangegeven hoe de tekst moet worden geïnterpreteerd, bijvoorbeld als lijst of als opschrift. Zo'n markering wordt (naar het Engels) een tag genoemd - er is geen goed Nederlands woord voor. HTML wordt meestal bekeken met een webbrowser, een programma dat HTML-documenten opvraagt en als opgemaakte tekst aan de gebruiker toont.

In de loop der jaren is het aantal verschillende markeringstekens (tags) dat in HTML wordt gebruikt, enorm uitgebreid. Om interpretatieproblemen te voorkomen heeft het World Wide Web Consortium (W3C) aanbevelingen opgesteld over welke tags geldig zijn en hoe ze moeten worden geïnterpreteerd. De oorspronkelijke aanbeveling is een aantal malen geactualiseerd in verband met verdere ontwikkeling van HTML. De laatst geaccepteerde aanbeveling, HTML 4.01, dateert van december 1999.

Sinds het ontstaan van HTML zijn er pogingen gedaan om het tot een exact gestructureerde taal te maken, door te eisen dat de syntaxis van de tags exact gevolgd wordt en hun combinatie aan een precieze grammaticale definitie voldoet. Dit is gedaan door de syntaxis van elke versie van HTML te beschrijven als een toepassing van SGML, en later XML. Dit is een wezenlijke voorwaarde om een uniforme interpretatie van HTML door software te kunnen garanderen. De meeste gebruikers en softwareontwikkelaars hebben zich hier nooit veel van aangetrokken, met als gevolg dat HTML-verwerkende software in de praktijk niet op het correct gebruik van tags mag rekenen, en de eindgebruiker niet op een consistente interpretatie.

Een tweede continue trend in de ontwikkeling van HTML vormden de pogingen om het tot een structurele (of logische) opmaaktaal te maken, waarbij de tags in het document alleen structuur en algemene eigenschappen van de tekst aangeven, terwijl de details van de presentatie apart van het document worden gespecificeerd. Dit heeft als voordelen dat de opmaak ineens kan worden gewijzigd voor alle documenten tegelijk en dat er verschillende manieren van opmaken kunnen worden gebruikt die bijvoorbeeld toegesneden kunnen zijn op de eigenschappen van de gebruiker (misschien kleurenblind of blind) of het weergevende apparaat (misschien een klein beeldscherm of zwart-wit-papier). Om historische redenen is dit aanvankelijk totaal mislukt, waardoor HTML een grote hoeveelheid presentatie tags heeft gekregen, maar uiteindelijk toch doorgezet, waardoor in moderne HTML een nette scheiding van presentatie mogelijk is, met behulp van CSS. Daarbij blijft gelden dat HTML niet ontworpen of geschikt is voor het ondersteunen van willekeurige paginavormgeving.

HTML zelf voorziet alleen in zeer eenvoudige gebruiksinteractie:

* het aanklikken van verwijzingen
* het invullen van tekstvelden
* het klikken in afbeeldingen

Een min of meer gestandaardiseerde vorm om andere soorten interactie te ondersteunen is het inbedden van scripts geschreven in de taal Javascript. Daarbij blijft gelden dat HTML niet ontworpen of geschikt is voor het ondersteunen van willekeurige grafische user interfaces.

Het derde doorlopende thema in de ontwikkeling van HTML is het spanningsveld tussen innovatie en standaardisering. De concurrentiestrijd tussen producenten van webbrowser heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van HTML. Producenten ontwikkelden op eigen houtje nieuwe tags, die vaak niet door andere webbrowser werden begrepen, hadden eigen interpretaties van stylesheets en een eigen interpretatie van JavaScript. Sommige van deze HTML-tags zijn later opgenomen in de aanbevelingen, andere niet. Ook nu nog zijn daarvan relicten te vinden in moderne browser.
ICC (International Color Consortium) is een internationaal erkend en geaCC instituut dat een methode heeft ontwiikeld om een consistent kleurbeheer te bereiken in de prepress- en drukfase. Scanners, monitoren (beelschermen) en drukpersen kunnen gekalibreerd worden naar een onafhankelijke ICC-standaard.

ICC-profiel is het profiel van vooraf gekalibreerde apparaten, waardoor dit apparaat met een soortgelijk gekalibreerd apparaat kan communiceren en samenwerken.
IMAP (Internet Message Access Protocol) is een protocol voor het synchroniseren van e-mail. Eigenlijk wordt er direct op de mailserver gewerkt. Inmiddels is IMAP aan versie 4 toe. IMAP houdt de e-mail bij op de server in een mappenstructuur. Deze wordt dan gelinkt aan het "Postvak IN" van de ontvanger. IMAP houdt een mappenstructuur bij van alle gebruikers. Daarom is het veel complexer dan POP3. Een user agent, zoals Outlook Express van Microsoft en Thunderbird, kan daardoor ook alleen bijvoorbeeld een header ophalen, of een gedeelte van een bericht. Dat is handig als je bijvoorbeeld mail via een langzame verbinding binnenhaalt of op een PDA.

Een ander groot voordeel van IMAP is dat de mail op de server blijft staan waardoor het mogelijk is om vanaf elke locatie met een IMAP-programma in te loggen en alle mail te bekijken. Dit is een groot verschil ten opzichte van het POP3-protocol dat de mails steeds weer opnieuw moet ophalen.

Een recente uitbreiding van IMAP is het zogenaamde IMAP Idle-commando, waardoor push e-mail mogelijk is (met andere woorden: een nieuwe e-mail wordt meteen zichtbaar op de client, en niet pas nadat de client het besluit op te halen).
POP (Post Office Protocol) is het meestgebruikte protocol voor het ophalen van e-mail van een mailserver. Inmiddels is POP in de 3e versie.

POP3 is een internetstandaard voor het overbrengen van e-mail van een server naar een client (e-mail van de gebruiker) over een TCP/IP-verbinding (gewoonlijk over poort 110). Bijna alle internetproviders bieden een e-mail aan dat beschikbaar is via POP3.

De huidige versie van Post Office Protocol, POP3, verschilt sterk van de vroegere versies van het POP-protocol, nl. POP (gewoonlijk POP1 genoemd) en POP2. Gewoonlijk wordt met de term "POP" POP3 bedoeld als het over e-mail gaat.

POP3 en zijn voorgangers zijn zo gemaakt dat de gebruikers zonder constante internetverbinding (zoals dial-up-internet) hun e-mail kunnen ophalen als ze verbonden zijn met het internet, en vervolgens de berichten kunnen bekijken en bewerken zonder dat het nodig is om met het internet verbonden te blijven.

Het is gebruikelijk dat een client verbinding maakt met een POP3-server en dan alle e-mail ophaalt en lokaal opslaat. Vervolgens worden de berichten verwijderd van de server en wordt de verbinding verbroken. Daarnaast bieden de meeste clients de mogelijkheid om de berichten op de server te laten staan.

Dit is in tegenstelling tot het modernere IMAP-systeem dat zowel een "disconnected mode" (de POP3-methode) als een "connected mode" ondersteunt. Clients die IMAP gebruiken laten de berichten gewoonlijk op de IMAP-server staan tot de server ze expliciet verwijdert. Dit en andere eigenschappen van het IMAP-systeem laten toe dat meerdere clients toegang hebben tot dezelfde mailbox. De meeste e-mail's ondersteunen zowel POP3 als IMAP, maar internetproviders bieden vaak geen IMAP aan.

Zowel bij het gebruik van POP3 als IMAP om de e-mail op te halen wordt het SMTP-protocol gebruikt om e-mail te versturen. e-mail worden vaak "POP-clients" of "IMAP-clients" genoemd, maar in beide gevallen wordt voor de verzending van e-mail gebruikgemaakt van SMTP.

Zoals veel andere oudere internetprotocollen ondersteunt POP3 oorspronkelijk maar één manier om in te loggen en dat is onversleuteld, dus zonder encryptie. Deze manier om het wachtwoord zonder versleuteling te versturen naar de POP3-server wordt nog heel veel gebruikt. Momenteel ondersteunt POP3 verschillende methodes om in te loggen met verschillende veiligheidsniveaus. Zo is het mogelijk gemaakt om POP3-verkeer door middel van SSL te versleutelen.


POP3 en veiligheid
POP3 is een relatief onveilig protocol, met name doordat nergens in de RFC-documenten staat vermeld dat een account tijdelijk geblokkeerd moet worden als 3 keer het verkeerde wachtwoord wordt ingegeven. Hierdoor kan men zeer eenvoudig een woordenboek-wachtwoordhack op een account uitproberen zonder dat daar direct erg veel van opgemerk wordt. Het is dus raadzaam om een goed wachtwoord te kiezen dat langer is dan 7 karakters en geen bekend woord is. Hiermee geef je jezelf meer garantie dat je e-mail ongelezen blijven.
Een professionele website op maat, webstek of web site (afgeleid van het woord wereldwijde web) is een verzameling samenhangende webpagina's met mogelijk andere data, zoals afbeeldingen en video's, die gehost worden op een of meerdere webservers en meestal toegankelijk zijn via het Internet.

Een webpagina is een document, typisch geschreven in (X)HTML dat vrijwel altijd beschikbaar is via HTTP, een protocol waarmee een webserver communiceert met een client (meestal de webbrowser van een gebruiker).

Een webbrowser vertaalt het HTTP bericht in bruikbare informatie voor de gebruiker zoals het tonen van een webpagina.

Alle publiek toegankelijke websites worden over het algemeen collectief benoemd als het "wereldwijde web" wat weer een deel van een bepaalde laag van het Internet vormt.

Een kern eigenschap van het wereldwijde web vormt de hyperlink, een deel van het concept Hypertext, hiermee kan een gebruiker direct naar een specifieke tekst of ander digitale entiteit doorspringen.

De webpagina's van een website zijn meestal toegankelijk via een specifieke node (URI). Vaak wordt deze specifieke startnode de homepage genoemd. De URI's van de webpagina's zijn meestal georganizeerd in een hierarchy. De hyperlink tussen de webpagina's geven echter per gebruiker een andere representatie van de betreffende website.

Belangrijke standaarden rondom het wereldwijde web worden onder andere beheerd en uitgebreid door voorstellen door het World Wide Web Consortium, beter bekend als het W3C. De directeur van het W3C is Tim Berners-Lee, die in 1991 HTML voorstelde, als subset van het complexere SGML als vervolg op de hypertext achtige implementatie Gopher (het WWW is daarmee nog steeds geen hypertext systeem). Naast verschillende andere initatieven bleek HTML uiteindelijk het succesvolst.